XLLeaseFiscaliteiten

Fiscaliteiten

Praktische tips voor de btw-heffing over het privégebruik

Het vaste percentage kun je gebruiken als je niet voldoende gegevens over het werkelijke gebruik hebt. Maar heb je die gegevens wel, dan kun je daarmee misschien een voordeliger uitkomst krijgen. De werkelijke kilometerverhoudingen van het privégebruik ten opzichte van het totale aantal gereden kilometers in het kalenderjaar kun je dan namelijk gebruiken voor de berekening van de btw over het privégebruik: Dat percentage vermenigvuldig je met de btw op de autokosten. Daarbij moet je in de eerste 5 jaar ook 1/5 van de btw op de aanschaf meenemen.

Pas je het forfait wel toe, dan kun je vanaf het vijfde jaar na het jaar van de aanschaf een lager forfait toepassen. Dat is dan 1,5% in plaats van de standaard 2,7%.

Met het bijhouden van de kilometers kun je voor auto’s die relatief weinig privé gebruikt worden voor de btw tot een lagere heffing over het privégebruik krijgen. Wel moet je daarbij bedenken dat het woon-werkverkeer voor de btw als privégebruik wordt gezien. Voor de bijtelling is het woon-werkverkeer zakelijk. Deze regeling betekent ook dat bestelauto’s die niet privé maar wel voor woon-werkverkeer gebruikt worden en dus geen loonbelastingbijtelling hebben, wel met de btw-correctie te maken hebben. Maar ook dan kan gebruik van de werkelijke kilometerverhoudingen een mooi fiscaal voordeel opleveren.

Lees verder

Kamerleden willen tijdig onderzoek naar WLTP en BPM

De Tweede en Eerste Kamer namen afgelopen najaar het wetsvoorstel aan waarmee per 1 juli 2020 een nieuwe BPM-tabel gaat gelden. In die nieuwe tabel worden de BPM-tarieven afhankelijk van de CO2-uitstoot volgens de WLTP-testmethode.

De toenmalige staatssecretaris beloofde destijds dat deze omzetting budgetneutraal zou verlopen. RAI Vereniging en BOVAG stelden echter op basis van een onderzoek van KPMG dat er na de wijziging structureel zo’n 200 miljoen euro teveel aan BPM in de schatkist vloeit, bovenop de ruim 600 miljoen BPM die tot en met juni al extra binnenkomt. Staatssecretaris Snel stelde daartegenover dat een lastige factor bij het onderzoeken van een mogelijk effect van de nieuwe WLTP-testmethode is dat er rondom auto’s en CO2-uitstoot regelmatig veranderingen plaatsvinden die niet per definitie een gevolg zijn van de invoering van de nieuwe WLTP-test. Volgens hem blijkt uit onderzoek van TNO dat het overgrote deel van de nieuwe auto’s zwaarder en krachtiger is geworden ten tijde van de Europese invoering van de WLTP.

Bijkomend complicerend punt is dat er in de periode vanaf de invoering van de WLTP tot aan 1 juli 2020 nog gerekend wordt met een BPM-tabel op basis van NEDC-waarden, waarbij de WLTP-waarde wordt omgerekend naar een NEDC-waarde. De BPM-tarieven per 1 juli zijn volgens Snel zo vormgegeven dat de totale bpm-opbrengst vanaf 1 juli gelijk blijft ten opzichte van de bpm-tabel die geldt per 1 januari 2020. KPMG kijkt voor een budgettair neutrale omrekening naar het jaar 2018, dus naar de situatie voorafgaand aan de invoering van de WLTP en de tijdelijke omrekening van NEDC-waarden.

De Tweede Kamer heeft weliswaar de nieuwe WLTP-tabel per 1 juli 2020 al aangenomen, maar heeft daarbij wel een motie aangenomen waarin gevraagd is om onafhankelijk te laten toetsen of beide omzettingen wel budgettair neutraal zijn gegaan en waarin gevraagd is de Kamer hierover voor de zomer van 2020 te informeren.

Volgens de planning van het Ministerie van Financiën volgt dit onderzoek echter pas in juli 2020. De beide indieners van de motie laten het daar niet bij zitten en hebben nu aangedrongen op een reactie vóór 1 juni 2020, omdat de nieuwe tabel al per 1 juli ingaat.

Ook vragen zij de ministers om aan te geven wie het onderzoek gaat uitvoeren, wat de exacte onderzoeksopdracht is en hoe de onafhankelijkheid van het onderzoek gewaarborgd is. De ministers zullen hierop in principe binnen 3 weken antwoorden. Wij houden u op de hoogte!

Lees verder

Milieu-investeringsaftrek voor je nieuwe elektrische auto in 2020

De milieulijst regelt welke investeringen in aanmerking komen voor milieu-investeringsaftrek (MIA) en eventueel voor willekeurige afschrijving (VAMIL).

Personenauto’s

De elektrische auto komt ook in 2020 weer in aanmerking voor MIA. De MIA bedraagt dan 13,5% over een maximale investering van € 40.000.

Auto’s met elektrische aandrijving die voorzien zijn van zonnepanelen met een vermogen van minimaal 1 kilowattpiek krijgen in 2020 36% MIA. Het bedrijfsmiddel komt voor ten hoogste € 75.000 van het investeringsbedrag in aanmerking voor milieu-investeringsaftrek.

Ook voor de waterstofpersonenauto geldt een MIA van 36% over maximaal € 75.000. Op deze auto geldt voor 75% van de investering ook de VAMIL-afschrijving.

Bestelauto’s

MIA is er ook voor de volledig elektrische bestelauto uit de N1- of N2-categorie. De MIA is dan 36% over maximaal € 75.000 c.q. maximaal € 125.000 als het een waterstofbestelauto betreft. Willekeurige afschrijving op deze bestelauto’s is – in tegenstelling tot de Milieulijst 2019 – niet meer mogelijk. Op een bakwagenchassis of trekker die behoort tot de Europese voertuigcategorie N2 of N3 geldt naast 36% MIA op een volledig elektrisch voertuig nog wel een willekeurige afschrijving voor 75% van de investering. Bij plug-in hybrides is de MIA is dat geval 27%.

Taxi’s

Elektrisch aangedreven taxi’s waarvoor in het kentekenregister de vermelding ‘taxi’ is opgenomen, niet zijnde een taxi voor rolstoelvervoer of met 9 zitplaatsen, krijgen 27% MIA over maximaal € 40.000. Is de taxi voorzien van 9 zitplaatsen of een inrichting voor het vervoer van rolstoelgebruikers in hun rolstoel die voldoet aan de Code Veilig Vervoer Rolstoelgebruikers (VVR), dan geldt een MIA van 36% over maximaal € 75.000 (€ 125.000 in geval van waterstof).

Fietsen

Investeer je in een elektrische bakfiets of fietstaxi die bestemd is voor het bedrijfsmatig vervoeren van personen of goederen over de openbare weg of op bedrijfsterreinen, waarbij de aanschaf per bakfiets of fietstaxi ten minste €3.000 bedraagt, dan kun je 36% MIA claimen en de investering voor 75% willekeurig afschrijven.

13,5% MIA over de helft van de investering is er voor elektrische bromfietsen en snorfietsen met een lithiumhoudende accu. Deze brom- en snorfietsen mogen voor 75% ook willekeurig afgeschreven worden. Speed pedelecs vallen hier ook onder.

Laadpunten

Oplaadpunten voor elektrische voertuigen komen onder voorwaarden bij afzonderlijke melding (met een ondergrens van € 2.500) in aanmerking voor 36% MIA over maximaal € 2.500. Melding kan ook samen met de elektrische auto. De laadpaal krijgt dan het MIA-percentage dat ook voor de auto geldt, en telt ook mee voor het maximale investeringsbedrag.

Tot slot

De MIA geldt - anders dan de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek - ook bij operational lease. De leasemaatschappij doet dan zelf de aanvraag.
Denk voor deze regelingen aan tijdige melding via het e-loket van RVO. Dat moet met eHerkenning binnen 3 maanden na het aangaan van de verplichtingen.

Lees verder

Eerste Kamer neemt fiscaal pakket Belastingplan 2020 en Klimaatakkoord aan

Voor berijders van een nieuwe volledig elektrische auto met een Datum Eerste Toelating in 2020 is het belangrijk te weten dat er een bijtellingskorting blijft. De bijtelling voor EV’s wordt 8% van de catalogusprijs voor zover die niet meer is dan € 45.000. Voor waterstofauto’s geldt de 8% bijtelling over de hele catalogusprijs. Er blijft een overgangsregeling van kracht waarmee het bijtellingspercentage van de Datum Eerste Toelating voor 60 maanden geldt.

Per 2021 gaat de bijtelling naar 12% (over de eerste € 40.000, behalve als het een waterstofauto is). In 2022, 2023 en 2024 wordt het percentage 16% en in 2025 17%. De ‘cap’ blijft dan ongewijzigd € 40.000. Daarna geldt het standaardtarief van 22% ook voor elektrische auto’s. De bijtellingsregeling wordt tussentijds steeds geëvalueerd.

Volledig elektrische auto’s houden tot en met 2024 een BPM-vrijstelling. Vanaf 2025 geldt voor deze auto’s alleen de vaste voet van ongeveer € 366. De BPM-tarieven voor andere auto’s worden per 1 juli 2020 bijgesteld op basis van de nieuwe WLTP-testmethode voor de CO2-uitstoot. In de BPM wordt verder de toeslag voor auto’s met een compressieontsteking zo gewijzigd dat deze voortaan alleen geldt voor dieselauto’s.

Voor EV’s blijft tot en met 2024 het MRB-nihiltarief bestaan. In 2025 wordt dat een kwarttarief. Met name om de gebruikte markt te stimuleren, blijft voor plug-in hybrides het huidige halftarief nog bestaan tot en met 2024. In 2025 wordt dat een driekwarttarief. Per 2026 gelden voor beide type auto’s de normale wegenbelastingtarieven.

Om de klimaatvoorstellen te financieren stijgt de dieselaccijns per 1 januari 2021 en per 1 januari 2023 met 1 eurocent. Daarnaast komt er per 2021 een aanpassing in het MRB-tarief voor bestelauto’s van ondernemers.

Via een eerder belastingplan nam het parlement al een aantal andere wijzigingen aan die per 1 januari 2020 ingaan. Voor de ook voor privégebruik ter beschikking gestelde fiets van de zaak komt er een gunstig bijtellingsforfait van 7% vande adviesprijs van de fiets. Verder wordt de BPM-teruggaaf voor taxi’s afgeschaft. Ook wordt de fijnstoftoeslag op de motorrijtuigenbelasting van kracht. Dit is een opslag van 15% op de motorrijtuigenbelasting voor dieselauto’s met een fijnstofuitstoot van meer dan 5 mg/km of 10 mg/kWh. Dieselbestelauto’s jonger dan 12 jaar zijn uitgezonderd van deze heffing.

Over de wijzigingen in de milieu-investeringsaftrek voor elektrische (bestel)auto’s wordt in de laatste week van dit jaar meer nieuws verwacht. Wij houden je op de hoogte!

Lees verder

Bij verklaring geen privégebruik wel rittenregistratie bijhouden

Die zaak betrof iemand van wie de verklaring geen privégebruik door de belastingdienst was ingetrokken. Hij was gewezen op de mogelijkheid om een nieuwe verklaring aan te vragen. Dat heeft hij niet gedaan. Over de drie jaren daarna bleek vervolgens dat hij geen rittenadministratie had bijgehouden. Er volgde een naheffing.

Het gerechtshof oordeelde dat als deze berijder het niet eens was met de intrekking, hij daartegen bezwaar had kunnen maken. Maar ook los daarvan helpt de stelling dat de verklaring niet ingetrokken had mogen worden hem niet. Het is volgens de rechter “immers belanghebbende die moet doen blijken dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt indien de auto ook voor privédoeleinden ter beschikking is gesteld”. Daar komt volgens het gerechtshof nog bij dat de belastingdienst ook als de werknemer wél een verklaring ‘geen privégebruik auto’ heeft, op enig moment kan verzoeken te bewijzen dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt.

De verklaring geen privégebruik auto moet overigens niet verward worden met de verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto. Voor zo’n bestelauto is dan geen rittenregistratie meer nodig.

Lees verder

Extra mogelijkheden voor investeringsaftrek

Het ging om een VOF die € 63.322 heeft geïnvesteerd in vier bedrijfsmiddelen. De vraag was of je de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek dan twee keer voor het hele bedrag mag meenemen. Of dat je die investeringsaftrek moet verdelen over beide vennoten.

De bijzonderheid zit in de toedeling van de vaste investeringsaftrek van (in 2019) € 16.051 bij investeringen tussen € 57.322 en € 106.150.

Deze zomer heeft de Hoge Raad hier ook een oordeel over gegeven bij een VOF waarbij er ook buitenvennootschappelijke investeringen buiten de VOF waren. Dan moet je volgens de Hoge Raad voor elke vennoot kijken naar het totaal van de investeringen die deze ondernemer doet, inclusief die van de VOF.

In de nieuwe uitspraak gaat het alleen om investeringen van de VOF. De wet zegt dan dat je per vennoot moet kijken naar het totaal van de investeringen van de VOF. Op basis daarvan wordt de investeringsaftrek bepaald. Die hoef je volgens de rechtbank daarna niet meer te verdelen op basis van de percentages van het aandeel van de vennoot in de winst van de VOF.

Dat kan dus opgeteld meer aftrek opleveren dan één ondernemer voor ditzelfde totaalbedrag alle investeringen had gedaan. De enigszins merkwaardige uitkomst wordt mede veroorzaakt doordat sinds een aantal jaren de investeringsaftrek niet alleen meer op basis van percentages van de investeringsaftrek wordt berekend, maar bij een bepaalde bandbreedte ook met een vast bedrag gewerkt wordt. Dat biedt echter mooie extra aftrekmogelijkheden!

Tegen de uitspraak van de rechtbank kan nog hoger beroep ingesteld worden. Mocht dat gebeuren, dan houden wij je vanzelfsprekend op de hoogte.

Lees verder

Rekenkamer wil evaluatie bijzondere BPM- en MRB-regelingen

De conclusie van de Algemene Rekenkamer is dat de autobelastingen, met uitzondering van de BPM, een stabiele inkomstenstroom opleveren voor het Rijk. De stabiliteit van de BPM en accijnzen staat echter onder druk, omdat het Rijk streeft naar een forse toename van het aantal elektrische auto’s. De Rekenkamer concludeert verder dat de huidige prikkels in de autobelastingen met het oog op de luchtkwaliteits- en klimaatdoelen niet optimaal zijn. Bijvoorbeeld door dat de BPM voor bestelauto’s en motorrijwielen is gebaseerd op de catalogusprijs in plaats van op de CO2-uitstoot.

De autobelastingen kennen daarnaast allerlei vrijstellingen, teruggaafregelingen en kortingen. Die hebben vaak een lange voorgeschiedenis. De Rekenkamer concludeert dat het overgrote deel van de bijzondere regelingen niet recent is geëvalueerd. Daardoor is het de vraag of er een bewuste afweging is gemaakt tussen de bijzondere regelingen en de hoofddoelen van de autobelastingen. Verder is de vraag of de motivering voor deze regelingen nog actueel is. De Rekenkamer doet daarom de aanbeveling deze regelingen opnieuw te evaluëren. Het kabinet neemt dit voornemen over en zal zo’n evaluatie in 2020 uitvoeren.

Ook doet de Rekenkamer de aanbeveling aan de staatssecretaris van Financiën om de regelgeving rond de waardebepaling en het bijtellingspercentage van het voordeel van privégebruik van de auto van de zaak beter te onderbouwen. De staatssecretaris heeft daar inmiddels op gereageerd. Het huidige bijtellingspercentage van 22% is naar de mening van het kabinet een goede benadering. Daarbij is een mix gemaakt van de besparingswaarde van de berijder en de werkelijke kosten van de werkgever. Maar het blijft een forfaitaire benadering die per definitie niet in alle gevallen een correcte weergave zal zijn van het werkelijke individuele voordeel van het privégebruik van de auto. Dat is volgens het kabinet eigen aan een forfait dat naar zijn aard grofmazig is. Ook de bijtelling van 35% van de werkelijke waarde voor youngtimers en oldtimers is volgens het kabinet een verdedigbare uitkomst. Dit voorkomt namelijk dat de bijtelling voor oudere vrijwel afgeschreven auto’s nog steeds wordt vastgesteld op de catalogusprijs en waarborgt ook dat de bijtelling voor een volledig gerestaureerde dure klassieker niet wordt vastgesteld op de in die gevallen veel te lage oorspronkelijke catalogusprijs.

Lees verder

Door bijhouden kilometers lagere btw-heffing op je zakelijke auto

Voor personenauto’s geldt als uitgangspunt een btw-heffing op basis van een jaarlijks forfait van 2,7% van de catalogusprijs. Als je relatief weinig privékilometers maakt, is dat in verhouding een hoge btw-correctie. Als je je ritten bijhoudt, mag je de btw-heffing echter ook berekenen op basis van het werkelijk aandeel privékilometers in het totale kilometrage. Dat kan voor het nieuwe jaar een praktische tip zijn!

Het woon-werkverkeer is daarbij nog wel een aandachtspunt. Het woon-werkverkeer wordt voor de loon- en inkomstenbelasting gezien als zakelijk gebruik. Maar voor de btw is dat niet zo: Het woon-werkverkeer telt voor de btw mee als privégebruik. Dat betekent zelfs dat er ook een btw-heffing voor privégebruik moet worden aangegeven als de auto wel voor woon-werkverkeer wordt gebruikt, maar er voor de inkomstenbelasting of loonheffingen geen bijtelling voor privégebruik van toepassing is.

Als het privégebruik van een (bestel)auto alléén bestaat uit woon-werkverkeer is het niet per se nodig om een kilometeradministratie bij te houden om de verschuldigde btw te berekenen. In dat geval kun je (als je niet kiest voor een btw-heffing op basis van het 2,7%-forfait) volstaan met het bepalen van de afstand woon-werk en hoef je alleen bij te houden hoe vaak je deze reis maakt. Dit is ook zo als een bestelauto wisselend wordt gebruikt door verschillende werknemers en je de eindheffing van 300 euro per jaar toepast voor de loonbelasting.

In plaats van het daadwerkelijk bijhouden van de frequentie van het woon-werkverkeer mag je ook uitgaan van een vast aantal van 214 werkdagen per kalenderjaar. Bij dit aantal is onder andere rekening gehouden met incidenteel thuiswerken, ziekte, vakantie en zorgverlof. Het aantal werkdagen (214) kun je naar evenredigheid toepassen als de werknemer op minder dan 5 dagen per week werkt of als de dienstbetrekking in de loop van het kalenderjaar begint of eindigt.

Lees verder

Tweede Kamer neemt fiscaal pakket Belastingplan 2020 en Klimaatakkoord aan

De bijtelling voor volledig elektrische auto's gaat omhoog voor auto’s met een Datum Eerste Toelating vanaf 1 januari 2020. De bijtelling hiervoor wordt 8% van de catalogusprijs voor zover die niet meer is dan € 45.000. Voor waterstofauto's geldt de 8% bijtelling over de hele catalogusprijs.

Per 2021 gaat de bijtelling naar 12% over de eerste € 40.000. In 2022, 2023 en 2024 wordt het percentage 16% en in 2025 17%. Daarna geldt het standaardtarief van 22% ook voor elektrische auto’s. Er blijft een overgangsregeling van kracht waarmee het bijtellingspercentage van de Datum Eerste Toelating steeds voor 60 maanden geldt. De bijtellingsregeling wordt tussentijds steeds geëvalueerd.

Volledig elektrische auto’s houden tot en met 2024 een BPM-vrijstelling. Vanaf 2025 geldt voor deze auto’s alleen de vaste voet van ongeveer € 360. De BPM-tarieven voor andere auto’s worden per 1 juli 2020 bijgesteld op basis van de nieuwe WLTP-testmethode voor de CO2-uitstoot. De staatssecretaris van Financiën heeft in het recente KPMG-rapport geen aanleiding voor aanpassing van de nieuwe tabel gezien. De Tweede Kamer wil er overigens nog wel een nieuw onderzoek naar laten doen.
In de BPM wordt verder de toeslag voor auto’s met een compressieontsteking zo gewijzigd dat deze alleen blijft gelden voor dieselauto’s.

Voor EV’s blijft tot en met 2024 het MRB-nihiltarief bestaan. In 2025 wordt dat een kwarttarief. Voor plug-in hybrides blijft het huidige halftarief nog bestaan tot en met 2024. In 2025 wordt dat een driekwarttarief. Per 2026 gelden voor beide type auto’s de normale wegenbelastingtarieven.

Ter financiering van de klimaatvoorstellen stijgt de dieselaccijns per 1 januari 2021 en per 1 januari 2023 met 1 eurocent. Daarnaast komt er per 2021 een aanpassing in het MRB-tarief voor bestelauto’s van ondernemers.

Tot slot heeft de Tweede Kamer een motie aangenomen om een onderzoek te laten doen naar de mogelijkheden om de reiskostenvergoeding te moderniseren.

De Eerste Kamer stemt in december over de fiscale wetsvoorstellen in de loop van dit najaar. Wij houden je op de hoogte!

Lees verder

Bij huis parkeren met groene platen niet toegestaan

Een belangrijke voorwaarde is te lezen in artikel 44 lid 4 van het kentekenreglement: “Een handelaarskenteken mag uitsluitend worden gebruikt indien met het voertuig als bedoeld in het tweede en derde lid gebruik van de weg wordt gemaakt in het kader van bedrijfsactiviteiten van het erkende bedrijf of de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie het handelaarskenteken is opgegeven”.

Bij een autobedrijf uit een procedure was door de belastingdienst geconstateerd dat een auto met handelaarskenteken voor woon-werkverkeer gebruikt was. Een naheffing van motorrijtuigenbelasting (met 100% boete) volgde. Het autobedrijf stelde dat er sprake was van gebruik de weg met het handelaarskenteken in het kader van haar bedrijfsactiviteiten. In het bezwaarschrift werd aangevoerd dat een werknemer met de auto waarop het handelaarskenteken was aangebracht naar zijn huisadres is gereden bij wijze van testrit na een reparatie. Daar heeft de werknemer de auto geparkeerd, om er de volgende dag mee terug naar het adres van het autobedrijf te rijden.

De belastingdienst was van mening dat daarmee niet voldaan wordt aan de eis van gebruik voor bedrijfsactiviteiten. Volgens de rechtbank eindigde het gebruik van de weg in het kader van de bedrijfsactiviteiten in elk geval zodra haar werknemer de auto bij zijn huisadres parkeerde. Op dat moment was er volgens de rechtbank geen sprake meer van een proefrit. Het weggebruik in de zin van de motorrijtuigenbelasting duurde echter nog wel voort. Zowel de naheffing van 425 euro als de boete van 100% bleven in stand.

Lees verder

Kamerbehandeling BPM-aanpassing door WLTP leidt nog niet tot wijzigingen

Uit het KPMG-onderzoek blijkt dat er vanaf volgend jaar structureel zo’n 200 miljoen euro te veel aan BPM in de schatkist vloeit, bovenop de ruim 600 miljoen BPM die tot en met juni al extra binnenkomt. Oorzaak is volgens RAI Vereniging en BOVAG de overgang naar de WLTP-emissietest voor nieuwe personenauto’s.

Inmiddels is in de Tweede Kamer het debat over het Belastingplan voor 2020 in volle gang. Daar is het KPMG-rapport ook in meegenomen. Kamerleden bevroegen staatssecretaris Snel van Financiën op het KPMG-rapport.

Staatssecretaris Snel stelt in antwoorden aan de Tweede Kamer dat een lastige factor bij het onderzoeken van een mogelijk effect van de nieuwe WLTP-testmethode is dat er rondom auto’s en CO2-uitstoot regelmatig veranderingen plaatsvinden die niet per definitie een gevolg zijn van de invoering van de nieuwe WLTP-test. In de ideale onderzoekswereld zouden volgens hem alle auto’s op het moment van de invoering van de WLTP hetzelfde zijn gebleven. Dan zou geïsoleerd onderzocht kunnen worden wat het gevolg is van de nieuwe WLTP-test.

Uit het onderzoek van TNO blijkt echter dat het overgrote deel van de nieuwe auto’s is veranderd ten tijde van de Europese invoering van de WLTP. Gemiddeld zijn de WLTP-auto’s zwaarder en krachtiger dan de vergelijkbare auto’s van voor de WLTP. Slechts een beperkt deel van de auto’s is onveranderd gebleven en dat maakt deze groep auto’s – juist omdat het overgrote deel van de auto’s is veranderd – geen representatieve steekproef. KPMG heeft volgens de staatssecretaris dan ook niet aangetoond dat de bpm in 2018 en 2019 is gestegen als gevolg van de WLTP.

Daarnaast komt uit het KPMG-rapport naar voren dat de in het wetsvoorstel voorgestelde bpm-tarieven per 1 juli 2020 mogelijk niet budgettair neutraal uitpakken. De voorgestelde bpm-tarieven zijn volgens Snel zo vormgegeven dat de totale bpm-opbrengst op basis van WLTP gelijk blijft ten opzichte van de geraamde opbrengst die gerealiseerd zou worden op basis van NEDC met de bpm-tabel die geldt per 1 januari 2020. KPMG kijkt voor een budgettair neutrale omrekening naar het jaar 2018. Deze discussie hangt sterk samen met de andere punt. Immers, als de BPM al stijgt in de periode waarin de WLTP voor de heffing van BPM wordt teruggerekend naar een NEDC-waarde, is er op 1 juli 2020 bij invoering een WLTP-gerelateerde BPM-tabel een minder sterk effect.

De Tweede Kamer bespreekt de belastingplannen vanaf maandag 4 november in mondelinge debatten. De stemmingen staan gepland voor 14 november 2019. Wij houden je op de hoogte.

Lees verder

Bijtellingsuitzondering of toch bijtellen?

Het ging hierbij om een personenbusje dat op de balans van het bedrijf stond en werd gebruikt voor verhuur en voor vervoer tussen de vestigingen van het bedrijf. Bij een belastingcontrole was al eens gewezen op de noodzaak van een rittenregistratie. Bij een nieuwe controle bleek die rittenregistratie ook over die latere jaren niet volledig sluitend. Het bedrijf beriep zich echter op het Hoge Raad-arrest uit 2015. Dat arrest zegt dat terbeschikkingstelling in de zin van de bijtelling niet aan de orde is als één of meer werknemers de auto slechts besturen ter uitvoering van bepaalde opdrachten van de werkgever, zodat de feitelijke beschikkingsmacht over de auto bij de werkgever blijft berusten.

In dit geval had de toenmalige bedrijfsleider bij de controle verklaard dat de sleutels onder zijn beheer stonden. Als iemand de auto nodig had, kon de sleutel bij hem opgehaald en weer ingeleverd worden.

De rechter vond in hoger beroep dat de bijtellingsuitzondering in dat geval niet van toepassing is. Uit de verklaring van de bedrijfsleider blijkt volgens de rechter namelijk dat de werknemers vrij over de auto konden beschikken omdat de bedrijfsleider slechts het beheer over de autosleutels uitoefende. Er was verder ook niet schriftelijk vastgelegd dat de werknemers de auto niet voor privédoeleinden mochten gebruiken en er werd ook niet op privégebruik gecontroleerd.

Ervan uitgaande dat de bijtellingsuitzondering niet van toepassing is, kan de bijtelling dan alleen nog achterwege blijven als er tegenbewijs wordt geleverd. Dat hoeft niet per se met een rittenregistratie, maar voor de praktijk blijft dat ter voorkoming van naheffingen wel de beste oplossing.

Lees verder

Autobranche: fiscale duidelijkheid gewenst

Wat betreft de bijtelling voor elektrische auto’s wil het kabinet de ‘hand aan de kraan’ houden. Dat betekent dat de bijtellingskorting jaarlijks bijgesteld kan worden. BOVAG pleit ervoor om in die situatie ten minste een jaar implementatietijd in te bouwen. Werkgevers, investeerders, leasemaatschappijen, autobedrijven en importeurs kunnen dan op de aanpassing van het EV-stimuleringsinstrumentarium anticiperen. Vanwege de lange levertijden van elektrische auto’s dienen zij vaak ver van tevoren hun bestellingen te plaatsen.

Wat BPM betreft roept BOVAG het kabinet op om de BPM te blijven afbouwen als opmaat naar betalen voor gebruik. Bovendien zorgt het voor verjonging van het wagenpark, en daarmee voor verlaging van de CO2-uitstoot.

Verder plaatst BOVAG een kanttekening bij de EV-aanschafsubsidie voor particulieren. Het jaarbudget van die subsidie mag wat BOVAG betreft geen remmende werking hebben op de aanschaf van elektrische auto’s. Daarom moet het mogelijk zijn bedragen uit latere jaren naar voren te halen, als de jaarlijkse subsidie uitgeput dreigt te raken. Mocht de subsidiepot eerder leeg zijn dan het einde van de looptijd van de subsidieregeling in 2024, dan wil BOVAG verruiming van het beschikbare budget. Zij pleit er daarbij voor om bij stimulering niet alleen te kijken naar elektrisch voertuigen, maar naar alle aandrijftechnieken met lage CO2-emissie, dus ook naar hybride auto’s, plug-in hybride auto’s en naar gebruik van biobrandstoffen.

De fiscale uitwerking van het Klimaatakkoord ligt inmiddels in wetsvoorstellen bij de Tweede Kamer. In november wordt de behandeling daarvan voortgezet. Wij houden je op de hoogte.

Lees verder

VNO-NCW: langere ingroeiperiode gewenst bij wijziging bijtelling

Rond het jaar 2024 wordt een integrale evaluatie uitgevoerd. Aan de hand van de laatste ontwikkelingen binnen de automarkt kan dan worden bepaald welke maatregelen na 2025 nodig en gewenst zijn om het streven naar 100% nul-emissie nieuwverkopen te realiseren.

Naast deze evaluatie wordt er de komende jaren ook steeds jaarlijks getoetst om de ‘hand aan de kraan’ te houden en overstimulering te voorkomen. Het kabinet kan dan ingrijpen als er bijvoorbeeld substantieel meer elektrische auto’s worden verkocht dan voorzien. Als dat leidt tot aanpassing van het bijtellingstarief, wordt dat volgens het wetsvoorstel in de maand september voorafgaand aan het wijzigingsjaar gepubliceerd.

In haar commentaar op de fiscale wetsvoorstellen voor 2020 merkt VNO-NCW op dat die tijdsplanning met publicatie in de maand september werkgevers, investeerders, leasemaatschappijen, dealers en importeurs in de praktijk slechts 3 maanden de tijd geeft. Dat is volgens VNO-NCW onvoldoende om op die aanpassing te anticiperen. Immers, de werkgevers krijgen last van hun met de ondernemingsraad afgestemde mobiliteitsbeleid (verlagen CO2-footprint), investeerders in duurzame assets (waterstof- en snellaadstations) baseren hun beleggingen – net als leasemaatschappijen hun restwaarde en dus de leaseprijs – op de wettelijk vastgestelde fiscaliteit en vanwege de lange levertijden van elektrische auto’s dienen dealers vaak al tot een jaar van te voren hun bestellingen te plaatsen. VNO-NCW kan zich voorstellen dat het kabinet met de hand aan de kraan wenst te stimuleren, maar dit zou er niet moeten leiden dat werkgevers en marktpartijen te laat weten waar ze aan toe zijn. Zij roept de Tweede Kamer daarom op om de markt meer tijd te geven door in september van een bepaald jaar de maatregelen te presenteren die ingaan per 1 januari van jaar dat volgt na ommekomst van een heel eerste jaar. Dat geeft marktpartijen dan zo’n 15 maanden voorbereidingstijd.

Lees verder

Hogere investeringsaftrek door goede timing van investeringen

De investeringsaftrek is er in verschillende vormen. Naast energie-investeringsaftrek en milieu-investeringsaftrek voor energiezuinige investeringen bestaat ook de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek. Op die laatste vorm gaan we in dit artikel in.

De kleinschaligheidsinvesteringsaftrek wordt verleend op investeringen vanaf € 450 in de vorm van koop of financial lease. De kleinschaligheidsinvesteringsaftrek geldt niet voor alle investeringen: Het moet allereerst gaan om investeringen voor je eigen onderneming. Daarnaast is het belangrijk dat personenauto’s van de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek zijn uitgezonderd, behalve wanneer ze bestemd zijn voor het ‘beroepsvervoer over de weg’ (vooral taxi’s). In de praktijk is deze aftrekpost daarom vooral belangrijk voor bestelauto’s.

De hoogte van de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek is in 2019 bedraagt 28% als het investeringstotaal van dit jaar groter is dan € 2.300 maar niet meer dan € 57.321. Boven dat bedrag is er tot een totale investering van € 106.150 een vaste aftrek van € 16.051. De vaste aftrek wordt bij investeringen tussen € 106.150 en € 318.449 afgebouwd naar een aftrek van nihil door de vaste aftrek te verlagen met 7,56% van het investeringstotaal boven € 106.150.
De tabel voor 2020 laat een soortgelijk patroon zien, waarbij de bedragen nog worden geïndexeerd voor inflatiecorrectie.

Het percentage investeringsaftrek hangt af van het totale investeringsbedrag in een bepaald jaar. Als je dit jaar nog niet veel investeringen hebt gedaan maar voor volgend jaar wel grote investeringen verwacht, kan het daarom bijvoorbeeld zinvol zijn dit jaar nog te investeren. De datum waarop je je handtekening onder de order zet, is daarvoor van belang. Hierdoor kunnen de aftrekpercentages van de investeringsaftrek optimaal benut worden.

Teken je de order voor een nieuwe bestelauto nog dit jaar, dan telt deze order mee voor je investeringstotaal van dit jaar. Ook als de bestelauto pas volgend jaar geleverd zou worden. Wordt zo’n bestelauto volgend jaar geleverd, dan kun je de investeringsaftrek op deze auto (vastgesteld op basis van de 2019-tabel) aftrekken in de belastingaangifte van het jaar van ingebruikname. Dat wordt dan het jaar 2020. Behalve als je in 2019 alvast aanbetaalt: De investeringsaftrek mag je namelijk ook alvast in je belastingaangifte van 2019 verwerken voor zover je hebt aanbetaald.

Met een goede timing van je investeringen kun je dus optimaal profiteren van deze investeringsaftrek!

Lees verder