XLLeaseFiscaliteiten

Fiscaliteiten

Vragen aan Hoge Raad over MRB-nahaffing buitenlandse auto

Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft aan de Hoge Raad zogenaamde prejudiciële vragen gesteld over de nieuwe MRB-naheffingsbepalingen voor buitenlandse auto’s.

Kort samengevat houden die nieuwe regels in dat naheffing mogelijk is met terugwerkende kracht to het moment waarop de houder van het voertuig zich heeft ingeschreven in het persoonsregister of waarop hij of zij zich had moeten inschrijven. Dat kan een fors langere naheffingstermijn opleveren dan de gebruikelijke 12 maanden.

Het gaat in deze zaak om iemand die vanaf 11 juli 2013 met een woonadres in Nederland ingeschreven staat in de basisregistratie personen. Op 25 mei 2016 is geconstateerd dat zij als bestuurder met een personenauto met Pools kenteken gebruik van de Nederlandse openbare weg maakte. De auto is van de neef van haar partner. De belastingdienst heeft vervolgens een naheffingsaanslag MRB (“wegenbelasting”) opgelegd vanaf 11 juli 2013.

Tegen die aanslag is zij in bezwaar en daarna in beroep gegaan. Volgens deze automobiliste zou in een vergelijkbare situatie aan iemand met de Nederlandse nationaliteit een naheffingsaanslag over maximaal 12 maanden worden opgelegd. Er is volgens haar daarom sprake van indirecte discriminatie naar nationaliteit.
De belastingdienst deelt die mening niet. Volgens hem is zij vanaf 2013 Nederlands ingezetene en zijn de herkomst van de auto en haar nationaliteit in dit verband niet van belang. Er is volgens de inspecteur ook geen onderscheid naar nationaliteit en bovendien voorziet de wet in een tegenbewijsmogelijkheid en een teruggaafmogelijkheid. 

De rechtbank ziet in deze discussie aanleiding om de vraag over de discriminatie voor te leggen aan de Hoge Raad. Zo’n prejudiciële vraag is sinds enige tijd mogelijk. Op basis van het oordeel van de Hoge Raad kan de rechtbank dan straks een uitspraak doen. De vraag die de rechtbank stelt is kort samengevat of de specifieke regeling voor een langere naheffingstermijn voor auto’s met buitenlands kenteken een verboden indirecte discriminatie naar nationaliteit is en of het daarbij uitmaakt op wiens naam de auto staat. Het woord is nu aan de Hoge Raad. Wij houden u op de hoogte.

 

Lees verder

Evaluatie Autobrief II naar Tweede Kamer

Nog net voor het zomerreces heeft staatssecretaris van Financiën Menno Snel de evaluatie van de maatregelen uit Autobrief II naar de Tweede Kamer gestuurd.

Hij concludeert dat de Wet uitwerking Autobrief II heeft geleid tot meer stabiele belastinggrondslagen en vooral in de bijtelling tot minder marktverstoring en minder complexiteit. Tegelijkertijd biedt de fiscale stimulering een belangrijke bijdrage aan het versnellen van de transitie naar emissievrij rijden. De maximering van het bijtellingsvoordeel op EV’s boven de € 50.000, die per 2019 ingaat voor nieuwe situaties, draagt volgens Snel bij aan het voorkomen van overstimulering. Vanaf de inwerkingtreding van de MRB-toeslag op oude vervuilende dieselauto’s (nu gepland voor invoering per 2020) draagt ook dat naast de hoge dieseltoeslagen in de BPM en MRB bij aan het verbeteren van de luchtkwaliteit in Nederland.

Al met al ziet de staatssecretaris geen noodzaak om op korte termijn bij te sturen. Hij merkt daar wel bij op dat de ervaring van de afgelopen jaren leert “dat het verstandig is om een vinger aan de pols te houden”. Door technologische ontwikkelingen in de automarkt en veranderende consumentenvoorkeuren kunnen de belastingopbrengsten of milieu- en klimaatdoelstellingen immers in relatief korte tijd onder druk komen te staan. Hij wil de ontwikkelingen de komende jaren daarom scherp blijven monitoren. Op de lange termijn vindt het kabinet het belangrijk om een volgende stap te zetten in de transitie naar emissievrij rijden. Met zorgvuldig gekozen maatregelen kan de fiscaliteit een belangrijke bijdrage leveren aan het versnellen van deze transitie. Aan de hand van de ambities uit het regeerakkoord en de toekomstige afspraken uit het klimaatakkoord gaat Snel daarom eind 2018 aan de slag met het vormen van een visie op het stelsel van autobelastingen voor na 2020. Hij wil de Tweede Kamer daarover medio 2019 informeren.

Een ander belangrijk onderwerp is de introductie van de nieuwe WLTP-testmethode voor het meten van de CO2-uitstoot van personenauto’s en de gevolgen daarvan voor de BPM. Het gaat volgens Snel om “een zeer complexe opgave waarbij zorgvuldigheid geboden is”. TNO heeft in een eerste rapport de complexiteit uiteengezet en zal in september 2018 een rapport opleveren met de eerste data-analyses van de CO2-uitstoot van WLTP-auto’s. Na de zomer wil Snel dan de Tweede Kamer verder informeren over het proces van de implementatie van de WLTP in de BPM. 

Wij houden u op de hoogte!

 

Lees verder

Afschaffing BPM-teruggaaf taxi gaat in per 2020

Zoals in het regeerakkoord al was aangekondigd, wil het kabinet de BPM-teruggaaf voor taxi’s afschaffen.

In de fiscale vergroeningsbrief die staatssecretaris Snel aan de Tweede Kamer zond is hiervoor de datum 1 januari 2020 te lezen.

Menno Snel over de achtergrond van de maatregel: “In het kader van de vergroening van het Nederlandse wagenpark geldt op dit moment een vrijstelling van BPM voor nulemissie auto’s. Het betreft hier volledig elektrische of op waterstof aangedreven auto’s. Het vergroenende effect van deze BPM-vrijstelling wordt in geval van taxi’s echter grotendeels teniet gedaan door de voor hen geldende teruggaafregeling van BPM. Op basis van deze regeling wordt op aanvraag een teruggaaf van de BPM verleend voor auto’s die worden gebruikt voor het verrichten van openbaar vervoer of taxivervoer in de zin van de Wet personenvervoer 2000.Zoals al aangegeven wil het kabinet milieuvervuilend gedrag beprijzen en stelt daarom voor om de BPM-teruggaafregeling voor taxi’s en openbaar vervoer af te schaffen. Hierdoor komt de fiscale vergroenende prikkel voor nulemissie voertuigen meer tot zijn recht. Er geldt dan enkel nog een fiscaal voordeel in de BPM bij de aanschaf van dergelijke nulemissie auto’s. De BPM-teruggaafregeling voor taxi’s wordt met ingang van 1 januari 2020 afgeschaft”.

De wettelijke uitwerking hiervan, inclusief eventuele overgangsbepalingen, volgt op een later tijdstip.  

Lees verder

Fiscale Vergroeningsbrief naar Tweede Kamer

Staatssecretaris van Financiën Menno Snel heeft zijn fiscale vergroeningsbrief naar de Tweede Kamer gezonden. Hij zet daarin voor diverse deelterreinen zijn visie op fiscale vergroening uiteen.

Staatssecretaris Snel begint wat de autobelastingen betreft met een terugblik. Al ruim 10 jaar zet Nederland via fiscale prikkels sterk in op vergroening van het wagenpark door het stimuleren van de aanschaf van zuinige en emissievrije auto’s. Onder meer als gevolg van fiscale maatregelen is de gemiddelde CO2-uitstoot van nieuwe auto’s flink afgenomen en is bovendien een eerste stap gezet in de transitie naar emissievrij rijden. Deze fiscale maatregelen hadden, naast de positieve effecten, ook een keerzijde. Een forse derving van belastinginkomsten, marktverstoring en een toename van complexiteit in het belastingstelsel.

Met de huidige wetgeving is onder meer de CO2-afhankelijkheid van het stelsel verminderd en is ervoor gekozen om meer in te zetten op de transitie naar emissievrij rijden.

In het regeerakkoord is het streven opgenomen dat vanaf 2030 alle nieuwe auto’s emissievrij zijn. De uitfasering van de fiscale stimulering voor emissievrije auto’s (bijtelling, BPM-vrijstelling, MRB-nihiltarief) wordt in lijn gebracht met deze ambitie. In het kader van het klimaatakkoord wordt nagedacht over welke rol de autobelastingen kunnen spelen bij het bereiken van de wenselijke CO2-reductie. Daarnaast leidt de transitie naar emissievrij rijden onvermijdelijk tot aanzienlijke verschuivingen in de belastinginkomsten van de BPM, MRB, de bijtelling bij privégebruik auto van de zaak, brandstofaccijnzen en de energiebelasting. Deze ontwikkelingen en ambities vereisen een stelsel van autobelastingen dat zorgt voor vergroening, maar ook budgettair houdbaar is op de langere termijn.

Staatssecretaris Snel streeft ernaar om medio 2019 zijn visie op het stelsel van autobelastingen na 2020 aan de Tweede Kamer te sturen. Voor de periode van de autobrief  III (t/m 2025) zal voor de budgettaire stabiliteit vooral binnen de bestaande autobelastingen naar oplossingen worden gezocht. Voor de periode na 2025 zal breder moeten worden gekeken, zo schrijft hij.  
Wij houden u op de hoogte!

Lees verder

Auto naar privé overbrengen kan voordelige keus zijn

De auto op de zaak kan voor ondernemers en directeuren-aandeelhouders (dga’s) een voordelig keus zijn. Maar kan de auto na verloop van tijd ook naar privé?

Als de personenauto van de ondernemer of dga op de zaak staat, kan het zo zijn dat na verloop van de tijd de conclusie is dat de bijtelling voor privégebruik niet meer in een juiste verhouding staat tot de werkelijke autokosten. Helaas geldt pas bij 15 jaar een bijtelling op basis van de werkelijke waarde van de auto. Voor de ondernemer zelf geldt weliswaar een regeling waardoor de bijtelling niet meer kan zijn dan de werkelijke kosten, maar per saldo resteert er dan geen aftrek van autokosten meer in de zaak. In zo’n geval zou een privéauto met aftrek van de zakelijke kilometers voordeliger zijn. Voor deze ondernemers, met bijvoorbeeld een eenmanszaak of VOF, geldt echter dat zij de auto alleen naar privé mogen overbrengen als de auto voortaan minder dan 10% zakelijk gebruikt wordt. Een optie kan dan zijn om over te stappen op een andere auto en voor die auto een nieuwe keuze tussen privé- of zakelijk vermogen te maken.

Voor dga’s geldt de maximering van de bijtelling op de werkelijke kosten niet. Zij hebben echter wel de flexibiliteit dat de B.V. de auto aan henzelf in privé kan verkopen. Denk er dan wel aan dat de dga in privé geen btw-aftrek op zijn personenauto heeft, terwijl de B.V. dat meestal wel heeft. Desondanks kan het declareren van kilometers, zeker na de eerste gebruiksjaren met een hogere afschrijving, gunstiger zijn dan een bijtelling voor privégebruik.

 

Lees verder

Zomervakantie? Geen dubbele bijtelling bij tijdelijk vervangende leaseauto

De Brancheregeling Tijdelijk Vervangend Leasevoertuig kan nuttig zijn om dubbele bijtelling te voorkomen als tijdelijk een andere leaseauto wordt ingezet. Met de zomer in aantocht is dat wellicht een fijne gedachte.

Deze brancheregeling is ontstaan op initiatief van de Vereniging van Nederlandse Autoleasemaatschappijen en voorziet in praktische werkafspraken met de belastingdienst voor situaties waarin tijdelijk een vervangend leasevoertuig wordt ingezet. Voorwaarde om de bijtelling op de reguliere auto tijdelijk stop te zetten bij inzet van een vervangende auto, is dat werkgever en werknemer het niet-ter-beschikkingstaan per tijdelijke vervanging schriftelijk vastleggen. De werknemer moet daarbij ook de auto, de papieren en de sleutel bij de werkgever of de leasemaatschappij inleveren. De schriftelijke vastlegging moet alle gegevens bevatten waarmee de bijtelling van het vervangende voertuig kan worden berekend, de exacte periode van vervanging en ook het kenteken van de vervangen auto. De werkgever moet deze vastlegging bij de loonadministratie bewaren.

Als wordt voldaan aan de administratieve vereisten, kan deze regeling een goede oplossing bieden om tijdelijk, bijvoorbeeld in de vakantieperiode, een andere auto in te zetten. Denk bijvoorbeeld aan de inzet van aan diesel- of benzineauto voor langere (vakantie)ritten als de hoofdauto een volledig elektrische auto is.  De volledige tekst van de brancheregeling is te vinden op de website van de belastingdienst.

Lees verder

Handelaar kan niet zelf de fiscale waarde vaststellen

Alleen door de fabrikant erkende importeur is bevoegd tot het vaststellen van de prijslijst voor de BPM en bijtelling. Dat blijkt uit een recente uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Die uitspraak sluit aan bij eerdere jurisprudentie hierover en wordt nu voor de nieuwere regelgeving over versnelde afgifte van kentekenbewijzen bevestigd.

Het ging in deze aak om een onderneming die zich bezighoudt met de import en export van nieuwe en gebruikte personenauto’s en bestelauto’s. Deze onderneming is geen officiële importeur van een automerk.

De rechtszaak ging over de voorwaarden die de belastingdienst stelt aan het hebben van een BPM-vergunning voor betaling van BPM per tijdvak in plaats van afdracht per auto. Eén van die eisen is dat deze ondernemer zich moest conformeren aan de in Nederland door de fabrikant of importeur aan wederverkopers kenbaar gemaakte prijs.

Het Gerechtshof oordeelde hierover dat de doelstelling van de BPM-wetgeving onder meer is het per type voertuig vaststellen van een gelijke maatstaf van heffing voor de BPM en dat daarom voor de status van importeur doorslaggevend is dat deze houder is van een of meer typegoedkeuringen. Dat sluit ook aan bij de EU-richtlijn over de typegoedkeuring. Daarin wordt met de fabrikant gelijkgesteld een in de Gemeenschap gevestigde natuurlijke of rechtspersoon die door de fabrikant is aangewezen om hem bij de goedkeuringsinstantie te vertegenwoordigen en namens hem op te treden bij aangelegenheden die onder die richtlijn vallen. 

Hoewel deze zaak inmiddels een deel van het belang verloren heeft nu de BPM op personenauto’s op basis van de CO2-uitstoot in plaats van de prijs wordt berekend, is het nog steeds wel van belang voor de BPM op bestelauto’s en bovendien ook voor de fiscale waarde van de bijtelling. Deze kan dus alleen door een door de fabrikant aangewezen importeur worden vastgesteld.

 

Lees verder

Parkeerplaats bij het werk vaak onbelast

Het ter beschikking stellen van een parkeervoorziening bij het werk is vaak onbelast voor de loonheffing. Dit valt onder de zogenaamde nihilwaardering voor de werkplek. De nihilwaardering betekent dat het loon in natura nihil is.

Ook als de parkeerplaats of parkeergarage niet direct bij de werkplek is, maar in de omgeving daarvan, kan er sprake zijn van een onbelaste parkeervoorziening. Deze maakt namelijk ook deel uit van de werkplek als de werkgever verantwoordelijk is voor die parkeerplaats. Dat wil zeggen dat een werknemer de werkgever bijvoorbeeld met succes aansprakelijk moet kunnen stellen als door nalatigheid van de werkgever bijvoorbeeld zijn auto beschadigd raakt.

Gebruiken uw werknemers die met een eigen auto reizen andere parkeerplaatsen en garages, dan geldt de arboverantwoordelijkheid niet. Zo’n parkeergelegenheid is dan belast loon van de werknemer voor zover dit loon samen met een kilometervergoeding hoger is dan € 0,19 per kilometer. U mag dit loon ook aanwijzen als eindheffingsloon. Reizen uw werknemers met een auto van de zaak, dan zijn de door hen voorgeschoten parkeerkosten in principe zogenaamde ‘intermediaire kosten’. U kunt deze onbelast vergoeden.

Dat geldt echter niet voor een parkeervergunning of stalling bij de eigen woning die ook gebruikt kan worden voor andere vervoermiddelen. Maar een parkeervergunning op kenteken of een stalling die alleen bestemd is voor het vervoermiddel van de zaak, is wel onbelast voor de loonheffingen.

 

Lees verder

Tweede Kamer vraagt naar overgangsregeling bijtelling elektrische auto

Staatssecretaris Menno Snel van Financiën antwoordt de Tweede Kamer dat het verschil in bijtelling tussen nieuw en oudere elektrische auto’s inherent is aan de Wet Uitwerking Autobrief II.

Vanuit de Tweede Kamer kwam de vraag of het klopt dat voor oudere elektrische auto’s van de zaak een hogere bijtelling voor privégebruik geldt dan voor nieuwe en, zo ja, of een oplossing mogelijk is.

Menno Snel antwoordt dat vanaf 1 januari 2017 voor nieuwe auto’s een bijtellingpercentage geldt van 22% van de catalogusprijs van de auto terwijl voor auto’s met een datum van eerste toelating van vóór 1 januari 2017 een bijtellingpercentage geldt van 25%. Het klopt dus dat de bijtelling voor oudere auto’s van de zaak hoger kan zijn dan voor nieuwere. Het maakt daarbij niet uit of het gaat om een elektrische auto of om een benzine-, gas- of dieselauto.

Voor elektrische auto’s geldt vervolgens een korting op de bijtelling. Deze korting geldt in beginsel voor een periode van vijf jaar. Als na deze periode nog moet worden bijgeteld, wordt op basis van het dan geldende recht bepaald of nog een korting van toepassing is. In 2018 is de korting voor elektrische auto’s 18% van de catalogusprijs van de auto.
Diezelfde korting geldt zowel voor nieuwe elektrische auto’s als voor elektrische auto’s waarvoor al vijf jaar een korting is toegepast. Dit betekent dat een oudere (bijvoorbeeld een 6 jaar oude) elektrische auto in 2018 uitkomt op een bijtelling van 25% minus 18%, oftewel 7%. Een nieuwe elektrische auto komt uit op een bijtelling van 22% minus 18%, oftewel 4%.
Dat is inherent aan de in de Wet uitwerking Autobrief II neergelegde aanpassing van het algemene bijtellingpercentage van 25% naar 22% voor nieuwe auto’s vanaf 2017, aldus staatssecretaris Snel.

Een ander verschil in de bijtelling tussen oudere en nieuwere auto’s kan ontstaan doordat na de periode van vijf jaar waarin de initiële korting (uit het beginjaar) is toegepast, op basis van het dan geldende recht moet worden bepaald welke korting dan van toepassing is. Voor een nieuwe elektrische auto uit 2018 bestaat op grond van overgangsrecht in principe vijf jaar recht op een korting van 18% van de catalogusprijs, dus in ieder geval tot en met januari 2023. Bij een elektrische auto uit 2012 geldt in 2018 diezelfde korting en is die korting in 2019 en 2020 gemaximeerd op € 9.000, omdat de bijtellingskorting voor nieuwe situaties vanaf 2019 alleen over de eerste 50.000 euro catalogusprijs geldt.

Menno Snel voegt daaraan toe dat volgens de huidige wetgeving in 2021 elke korting op de bijtelling vervalt, voor zowel auto’s met een datum eerste toelating in 2021 als voor auto’s waarvoor het overgangsrecht na 60 maanden niet langer van toepassing is. AMD automotive fiscalisten merkt daarbij op dat de regels vanaf 2021 echter nog moeten worden vastgesteld op basis van Autobrief III. Stimulering van elektrisch rijden is daarbij zeker niet uitgesloten.

Daarnaast merkt Snel op dat hij op dit moment werkt aan de tussentijdse evaluatie van de Wet uitwerking Autobrief II. Deze evaluatie moet een eerste beeld geven voor het antwoord op de vraag of de maatregelen uit de Wet uitwerking Autobrief II voldoen aan de verwachtingen. Hij streeft ernaar om de resultaten van de evaluatie voor de zomer met de Tweede Kamer te delen. Daarbij zal hij dan ook ingaan op de eventuele noodzaak voor tussentijdse aanpassingen. Eind 2018 start hij met het vormen van een langetermijnvisie op het stelsel van autobelastingen. Wij houden u op de hoogte!

 

Lees verder

Toch geen laag wegenbelastingtarief voor gemeente

Ondernemers kunnen voor hun zakelijk gebruikte bestelauto’s het verlaagde MRB-tarief toepassen. Voor gemeenten ligt dat een stuk moeilijker, zo blijkt uit een nieuwe uitspraak.

Voor het verlaagde MRB-tarief (en ook voor de BPM-vrijstelling) geldt dat de betreffende bestelauto “meer dan bijkomstig” (dat betekent: minimaal 10%) wordt gebruikt in het kader van de onderneming in de zin van de Wet op de omzetbelasting. Over de vraag hoe dit uitwerkt voor gemeentelijke overheden, heeft een gemeente een nieuwe procedure gestart. Inmiddels is daar in hoger beroep een uitspraak van.

De reden van de procedure zal zijn geweest dat het Europese Hof van Justitie in 2016 voor de btw een belangrijk arrest heeft gepubliceerd over het verschil tussen economische en niet- economische activiteiten.

De bestelauto’s van deze gemeente werden voor minder dan 10% gebruikt in het kader van ‘echte’ ondernemersactiviteiten in de zin van de omzetbelasting. De bestelauto’s werden namelijk vooral ingezet voor inzamelen van veegvuil, het legen van prullenbakken en het onderhoud van de gemeentelijke groenvoorziening. De gemeente stelde echter dat haar totale onderneming zowel haar economische als haar niet-economische activiteiten (inclusief de overheidstaken) betreft, en dat zij de auto’s daarom meer dan bijkomstig gebruikt in het kader van haar onderneming. Er bestaat dus volgens de gemeente recht op toepassing van het verlaagde MRB-tarief.

Het Gerechtshof Den Haag stelde de gemeente niet in het gelijk. Voor zover de gemeente optreedt als overheid doet zij dat niet als ondernemer, aldus het Hof. “Evenmin is zij als ondernemer aan te merken indien zij geen economische activiteiten verricht”. De gemeente kan daarom het verlaagde tarief niet toepassen.

Op dit moment is nog niet bekend of er beroep in cassatie zal worden ingesteld bij de Hoge Raad. Mocht zo’n cassatieberoep er komen, dan houden wij u daarover vanzelfsprekend op de hoogte.

 

Lees verder