Contact via WhatsApp

U kunt ons via WhatsApp 7 dagen per week bereiken tussen 18:00 en 22:00 uur

WhatsApp naar Ralf 06-51395013
XLLeaseFiscaliteiten

Fiscaliteiten

Prinsjesdag: de maatregelen voor 2019

Op Prinsjesdag heeft het kabinet de fiscale plannen voor het nieuwe jaar aan de Tweede Kamer aangeboden. Hieronder zetten wij de belangrijkste maatregelen voor 2019 op een rij die u als automobilist raken.

Bijtelling

De bijtelling houdt in 2019 een standaardtarief van 22% van de catalogusprijs. Nulemissieauto’s krijgen hierop ook in 2019 een korting, zodat de bijtelling voor deze auto’s 4% is. Voor elektrische auto’s met een eerste kentekendatum vanaf 2019 geldt die korting tot een catalogusprijs van € 50.000. Daarboven geldt dan 22%. Voor waterstofauto’s geldt deze aftopping van de korting niet.

Ook in 2019 zullen er auto’s zijn waarvan de 60-maandsperiode van een bijtellingskorting afloopt. Deze auto’s krijgen na die 60-maandsperiode een bijtelling van 25%. Alleen nulemissieauto’s krijgen hierop na deze eerste 60 maanden nog een korting van 18 procentpunten (vanaf 2019 voor zover de catalogusprijs niet meer is dan € 50.000).

Motorrijtuigenbelasting

Voor dieselauto’s van 12 jaar en ouder zonder fabrieksroetfilter zou de MRB per 2019 omhooggaan met 15%. Voor een gemiddelde dieselpersonenauto in de gewichtsklasse 1350-1450 kilo zou dat een verhoging zijn van zo’n € 225 per jaar. Deze verhoging is in verband met IT-investeringen bij de belastingdienst tot nader order uitgesteld.

Wel wordt vanaf 2019 controle op de naleving van de motorrijtuigenbelasting weer mogelijk met behulp van ANPR-camera’s. Na een arrest van de Hoge Raad over privacyaspecten hiervan is deze controle met kentekenherkenningscamera’s gestopt. In het belastingplan wordt nu alsnog een wettelijke grondslag voor deze controles opgenomen. Via een afzonderlijk wetsvoorstel is dit op een later moment ook de bedoeling voor controle van rittenregistraties ter voorkoming van de bijtelling voor privégebruik.

Elektrische auto’s en waterstofauto’s houden in 2019 hun MRB-nihiltarief. Voor plug-in hybrides tot en met 50 gram/km CO2-uitstoot blijft het halftarief gelden.

BPM

De BPM is voor personenauto’s vrijwel helemaal gebaseerd op de CO2-uitstoot. Nu voor de meting daarvan een nieuwe methode wordt gebruikt (de WLTP-testmethode), moet ook de BPM-tabel hierop worden aangepast. Die nieuwe tabel is echter nog niet in de Prinsjesdagstukken opgenomen.

De BPM-vrijstelling voor nulemissieauto’s blijft in 2019 bestaan.

Zoals in het regeerakkoord al was aangekondigd, wordt de taxiregeling in de BPM op termijn afgeschaft. 2019 is het laatste jaar waarin de regeling nog gebruikt kan worden voor nieuwe auto’s. Voor bestaande situaties komt er een overgangsregeling. Voor taxi’s en OV blijft de vrijstelling van MRB wel gelden.

Fiets van de zaak

Naast een fiscale bijtellingskorting voor elektrische auto’s komt er vanaf 2020 ook een gunstige regeling voor de fiets van de zaak. Deze krijgt een fiscale bijtelling van 7% van de catalogusprijs.

Tot slot

Na Prinsjesdag gaat de Tweede Kamer eerst aan de slag met de Algemene Politieke Beschouwingen en de diverse begrotingen. Het belastingplan en de fiscale wetsvoorstellen die daarbij horen, staan op de planning voor de maand november. Tijdens de behandeling van de wetsvoorstellen kan er nog het nodige veranderen in bovenstaande plannen. Wij houden u dan via onze website op de hoogte.

 

Lees verder

De bijtelling na afloop van de 60 maandstermijn

Heeft een auto van de zaak een bijtellingskorting, dan is de duur daarvan in principe 60 maanden. Maar wat gebeurt er na die 60 maanden?

De afgelopen jaren zijn er veel auto’s van de zaak ingezet met een bijtellingskorting. De bijtelling varieerde afhankelijk van de CO2-uitstoot van de auto. In plaats van het gebruikelijke bijtellingstarief van 25% van de catalogusprijs (voor auto’s met een datum eerste toelating tot en met 2016) of van 22%, geldt er dan een lagere bijtelling. Zo waren er tarieven van 0%, 4%, 7%, 14%, 15%, 20% en 21%.

Zo’n bijtellingskorting heeft dan een duur van maximaal 60 maanden. Tijdens die 60 maanden verandert het bijtellingspercentage van deze auto niet, ook al is voor nieuwe auto’s intussen een aangescherpte wettelijke regeling van kracht. Het bijtellingspercentage wordt overigens per auto bekeken: een nieuwe berijder kan dus ook de bijtellingskorting op deze auto krijgen.

Na die 60 maanden wordt er gekeken of er op dat moment nog een bijtellingskorting geldt. Voor auto’s waarin die bijtellingskorting in 2018 afloopt, betekent dit dat er alleen nog een korting kan worden toegepast bij een CO2-uitstoot van 0 gram/km. Deze auto’s (elektrische auto’s en waterstofauto’s) krijgen dan een korting van 18 procentpunten. Die korting gaat af van het basistarief dat bij deze auto hoort. Dat was destijds 25%. De bijtelling wordt dan voor de rest van de maanden van 2018 7%. Als de wet niet wijzigt, wordt dat tarief dan per 2019 alleen nog toegepast op de eerste 50.000 euro catalogusprijs.

Over de vraag of het verschil van 25% en 22% niet strijdig is met het gelijkheidsbeginsel loopt nog een procedure bij de Hoge Raad. In die zaak wordt binnenkort een uitspraak verwacht.

 

Lees verder

Controle Verklaring Uitsluitend Zakelijk Gebruik Bestelauto moet binnen redelijke termijn

Berijders die hun bestelauto van de zaak alleen gebruiken voor zakelijke ritten, kunnen de bijtelling voorkomen met een Verklaring Uitsluitend Zakelijk Gebruik Bestelauto.

Het voordeel van zo’n verklaring is dat er geen rittenregistratie meer nodig is. Als de belastingdienst vermoedt dat de bestelauto toch privé gebruikt wordt, kan de inspecteur aan werkgever en werknemer vragen om aan te tonen dat de rit zakelijk was.

In een recente procedure kwam in hoger beroep de vraag aan de orde op welke manier de naheffing verloopt als het zakelijke karakter van de rit niet aangetoond kan worden. De belastingdienst had in die situatie een correctie aangebracht via een inkomstenbelastingaanslag van de werknemer, nadat hij zijn aangifte inkomstenbelasting had ingediend.

Het Gerechtshof Amsterdam vindt dat geen juiste gang van zaken. De naheffing moet volgens het Hof via de loonbelasting verlopen. Daar komt volgens het Hof nog bij dat controle wel “in de actualiteit” moet gebeuren. De rit waar het hier om ging was op 27 februari 2013 gemaakt, maar de belastingdienst stelde daar pas in december 2015 vragen over. De “redelijke termijn” voor het bevragen over een geconstateerde rit is dan verstreken.

De verhoging van de aanslag inkomstenbelasting ging met deze uitspraak helemaal van tafel. Niet uitgesloten is overigens dat de belastingdienst nog tegen dit oordeel in cassatieberoep gaat bij de Hoge Raad. Mocht dat het geval zijn, dan houden wij u vanzelfsprekend op de hoogte zodra er nieuwe ontwikkelingen zijn.

 

Lees verder

Vanaf 1 september verplichte toepassing WLTP

Vanaf 1 september 2018 wordt de nieuwe WLTP-testmethode van kracht om de CO2-uitstoot voor nieuwe auto’s vast te stellen. De WLTP was weliswaar vorig jaar al ingegaan, maar tot 1 september 2018 alleen voor auto’s met een nieuwe typegoedkeuring.

Bestaande modellen met NEDC-typegoedkeuring hoefden vanaf september vorig jaar nog niet opnieuw te worden getest. Dat is vanaf 1 september 2018 wel het geval. De testmethode wordt dan verplicht voor alle nieuw verkochte modellen met uitzondering van al geproduceerde auto’s die onder een overgangsregeling vallen. Met ingang van 1 september 2019 moeten alle nieuw verkochte voertuigen beschikken over een CO2-waarde vastgesteld conform de WLTP, en vervalt ook de overgangsregeling voor deze voorraadauto’s.

De oude testmethode voor de vaststelling van de CO2-uitstoot (de NEDC testmethode) kende tekortkomingen waardoor de CO2-uitstoot in de praktijk vaak hoger uitkwam dan de in de test gemeten uitstoot. Daarom is een nieuwe testmethode ingevoerd. Dat is de Worldwide harmonized Light vehicles Test Procedures, afgekort als WLTP. Deze nieuwe testmethode doet meer recht aan het werkelijke brandstofverbruik dan de oude methode. Dat komt bijvoorbeeld doordat er gewerkt wordt met een test over een langere tijd, meer niet-stadsverkeerritten, een hogere topsnelheid en het mee laten tellen van opties.  

Door de invoering van de WLTP moeten ook de autobelastingen aangepast worden die met de CO2-uitstoot samenhangen. Dat betreft vooral de BPM. De op de WLTP gebaseerde BPM-tabel is er echter nog niet. Daarom wordt voorlopig nog de oude BPM-tabel toegepast, waarbij de WLTP-waarde wordt omgerekend naar een waarde volgens de oude systematiek. Deze omrekening leidt in de praktijk echter vaak wel tot een hoger CO2-uitstootgetal dan de oude NEDC-waarde. Aan de nieuwe tabel wordt nog gewerkt. Dit najaar komt TNO met een rapport wat kan dienen als basis voor de nieuwe tabel. De exacte ingangsdatum van die tabel is nog niet bekend. Wij houden u op de hoogte.


Lees verder

Bestelauto ter beschikking of toch niet

Wanneer staat een (bestel)auto van de zaak ter beschikking in de zin van de bijtelling voor privégebruik? In een recente procedure over een bestelauto van de zaak waarvoor geen loonheffing over de bijtelling was ingehouden, komt hiervoor een aantal criteria naar voren.

De rechter verwees hiervoor naar een arrest van de Hoge Raad uit 2015: Van ter beschikking stellen van een auto is geen sprake indien een of meer werknemers die auto slechts besturen ter uitvoering van bepaalde opdrachten van de werkgever om in diens belang personen of goederen te vervoeren, zodat de feitelijke beschikkingsmacht over de auto bij de werkgever of een met deze verbonden lichaam blijft berusten.

De Inspecteur voerde aan dat dit bedrijf structureel een auto ter beschikking heeft gesteld aan de betreffende medewerker, dat deze medewerker zelf verantwoordelijk is voor de routekeuze, dat hij zelf zorgt voor het bijvullen van de tank en dat hij de bestelauto in de regel mee naar huis mag nemen.

Die stellingen werden door het bedrijf niet weersproken. Op de rechtszitting heeft het bedrijf ook verklaard dat de bestelauto ’s avonds door de medewerker mee naar huis werd genomen, ook tijdens korte vakanties en atv-dagen en daar geparkeerd stond, dat de autosleutels bij de berijder thuis lagen en dat de bestelauto vooral tijdens langere periodes van afwezigheid op het terrein van het bedrijf moest worden geparkeerd, zodat de bestelauto dan door andere werknemers kon worden gebruikt.

De rechter oordeelde over deze situatie dat uit deze feiten volgt dat de medewerker de bestelauto “niet slechts bestuurde ter uitvoering van bepaalde opdrachten van de werkgever om in diens belang personen of goederen te vervoeren”. De medewerker gebruikte de auto buiten werktijd voor zijn woon-werkverkeer en de bestelauto stond dagelijks geparkeerd bij zijn woning. De feitelijke beschikkingsmacht over de bestelauto lag dus niet alleen bij het bedrijf, maar ook bij de berijder. De naheffing van de bijtelling, met een boete van 10%, bleef in stand.

 

Lees verder

Zelf betaalde kosten niet aftrekbaar van de bijtelling

Zelf door een werknemer aan een derde betaalde (brandstof)kosten kunnen niet afgetrokken worden van de bijtelling voor privégebruik, ook niet als de werknemer zelf meer kosten maakt dan hij aan bijtelling heeft.

De vraag komt nogal eens op of kosten die de berijder zelf betaalt, afgetrokken kunnen worden van de bijtelling. Op basis van de jurisprudentie is dat niet het geval.

Zo is er bijvoorbeeld jurisprudentie over een berijder die drie maanden een auto van zijn werkgever ter beschikking had. Daarvoor betaalde hij elke maand een eigen bijdrage voor privégebruik van 50 euro. Die eigen bijdrage voor privégebruik was aftrekbaar voor de bijtelling. Tot zover geen discussie. Daarnaast moest hij blijkbaar zelf de brandstof van de auto betalen. Dat kostte hem meer dan de maandelijkse bruto bijtelling. Bij de rechter stelde deze berijder daarom dat die brandstofkosten tot maximaal het bruto bijtellingsbedrag in aftrek zouden moeten komen op de bijtelling. De rechter oordeelde echter dat dit niet mogelijk is: De wet staat aftrek van kosten die aan derden betaald zijn niet toe. 
De les voor de praktijk is dat dergelijke kosten dan beter ondergebracht kunnen worden in een (hogere) eigen bijdrage voor privégebruik. Als de werknemer de kosten eerst zelf aan een derde heeft betaald, vergoedt de werkgever ze eerst. Daarna wordt op het loon een eigen bijdrage voor privégebruik ingehouden. De werknemer heeft dan het voordeel van de fiscale aftrek op de bijtelling.

Lees verder

Auto in prive voorkomt bijtelling niet

Het hebben van een privéauto is onvoldoende bewijs om onnauwkeurigheden in een rittenregistratie van de auto van de zaak goed te maken.
Dat blijkt uit een nieuwe uitspraak van Rechtbank Den Haag. In die situatie ging het om iemand die gedurende 3 gecontroleerde jaren een LS600 van de zaak reed, en privé een Audi Q7 had.

Voor de Lexus heeft hij geen rittenregistratie bijgehouden. Weliswaar is zo’n rittenregistratie niet de enige manier om aan te tonen dat je niet meer dan 500 km privé per jaar hebt gereden, maar andere vormen van bewijs zullen heel moeilijk een compleet tegenbewijs opleveren.

Deze berijder heeft daarom achteraf alsnog een rittenregistratie opgesteld en aan de belastingdienst overgelegd. Zowel deze registratie als een latere verbetering bevatte volgens de rechtbank echter te veel onnauwkeurigheden om als overtuigend bewijs te kunnen dienen.  De rechtbank oordeelde dat de belastingdienst zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de door berijder ingediende rittenstaten geen volledig beeld geven van de werkelijke gegevens met betrekking tot de gereden ritten, routes en afstanden. Omdat deze berijder ook geen ander bewijsmateriaal dan de achteraf opgemaakte rittenregistraties heeft ingebracht zijn de naheffingsaanslagen én de boetes van 40% terecht opgelegd. De enkele verklaring van eiser dat hij pertinent niet privé met de Lexus heeft gereden en ook de omstandigheid dat hem privé een Audi Q7 ter beschikking staat, maken dit niet anders.

Hoewel de bewijslast van de tegenbewijsregeling vormvrij is, blijft een sluitende rittenregistratie erg aan te raden.

 

Lees verder

Bij wisseling werkgever nieuwe bijtellingskeus mogelijk

Bij wisseling van werkgever kan voor de bijtelling een nieuwe keuze gemaakt worden. Van rittenregistratie naar bijtellen, of andersom. Maar let wel op de privékilometers.

Omdat de bijtelling voor privégebruik van een auto van de zaak via de loonadministratie van de werkgever loopt, hebben werknemers met zo’n auto de mogelijkheid om bij wisseling van werkgever ook te wisselen van bijtellingskeuze. Ieder van beide werkgevers is verantwoordelijk voor de loonheffingen over de periode waarin de werknemer bij dat bedrijf in dienst is. Als dat niet het hele jaar is, moet er bij gebruik van een rittenregistratie gekeken worden naar een tijdsevenredig deel van het maximale aantal privékilometers dat in zo’n geval geldt. Dat maximum is 500 km op jaarbasis.

Omdat bij de nieuwe werkgever een nieuwe periode begint, kan de werknemer ervoor kiezen om bij die nieuwe werkgever alsnog privé met bijtelling te gaan rijden als hij bij de vorige werkgever een rittenregistratie had, of andersom.

Een voorbeeld:
Stel dat iemand vanaf 1 januari tot 1 september bij werkgever A werkt. In die periode is het privégebruik 300 kilometer. Dat is minder dan 8/12 van 500 km. Er hoeft geen bijtelling bij het loon geteld te worden. Dat wordt anders als hij in deze periode bijvoorbeeld 400 km privé heeft gereden! Vanaf 1 september werkt hij bij werkgever B en rijdt hij tot het einde van het jaar 1500 km privé. Vanaf 1 september wordt er dan een bijtelling bij het loon geteld. Daarop worden loonheffingen ingehouden.

Conclusie: Wisseling van werkgever biedt mogelijkheden voor het wisselen van bijtelling naar rittenregistratie of andersom, maar let wel op het tijdsevenredige karakter van de 500 kilometergrens.

Lees verder

Parkeren met groene platen bij huis niet toegestaan

Autobedrijven kunnen voor auto’s die tot hun bedrijfsvoorraad behoren of die ter reparatie zijn aangeboden het zogenaamde handelaarskenteken met de bekende groene kentekenplaten gebruiken. Maar het luistert best nauw met de voorwaarden daarvan.

Een belangrijke voorwaarde is te lezen in artikel 44 lid 4 van het kentekenreglement: “Een handelaarskenteken mag uitsluitend worden gebruikt indien met het voertuig als bedoeld in het tweede en derde lid gebruik van de weg wordt gemaakt in het kader van bedrijfsactiviteiten van het erkende bedrijf of de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie het handelaarskenteken is opgegeven”.

Bij een autobedrijf uit een recente procedure was door de belastingdienst geconstateerd dat een auto met handelaarskenteken voor woon-werkverkeer gebruikt was. Een naheffing van motorrijtuigenbelasting (met 100% boete) volgde. Het autobedrijf stelde dat er sprake was van gebruik de weg met het handelaarskenteken in het kader van haar bedrijfsactiviteiten. In het bezwaarschrift werd aangevoerd dat een werknemer met de auto waarop het handelaarskenteken was aangebracht naar zijn huisadres is gereden bij wijze van testrit na een reparatie. Daar heeft de werknemer de auto geparkeerd, om er de volgende dag mee terug naar het adres van het autobedrijf te rijden.

De belastingdienst was van mening dat daarmee niet voldaan wordt aan de eis van gebruik voor bedrijfsactiviteiten. Volgens de rechtbank eindigde het gebruik van de weg in het kader van de bedrijfsactiviteiten in elk geval zodra haar werknemer de auto bij zijn huisadres parkeerde. Op dat moment was er volgens de rechtbank geen sprake meer van een proefrit. Het weggebruik in de zin van de motorrijtuigenbelasting duurde echter nog wel voort. Zowel de naheffing van 425 euro als de boete van 100% bleven in stand.

 

Lees verder

Vragen aan Hoge Raad over MRB-naheffing buitenlandse auto

Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft aan de Hoge Raad zogenaamde prejudiciële vragen gesteld over de nieuwe MRB-naheffingsbepalingen voor buitenlandse auto’s.

Kort samengevat houden die nieuwe regels in dat naheffing mogelijk is met terugwerkende kracht to het moment waarop de houder van het voertuig zich heeft ingeschreven in het persoonsregister of waarop hij of zij zich had moeten inschrijven. Dat kan een fors langere naheffingstermijn opleveren dan de gebruikelijke 12 maanden.

Het gaat in deze zaak om iemand die vanaf 11 juli 2013 met een woonadres in Nederland ingeschreven staat in de basisregistratie personen. Op 25 mei 2016 is geconstateerd dat zij als bestuurder met een personenauto met Pools kenteken gebruik van de Nederlandse openbare weg maakte. De auto is van de neef van haar partner. De belastingdienst heeft vervolgens een naheffingsaanslag MRB (“wegenbelasting”) opgelegd vanaf 11 juli 2013.

Tegen die aanslag is zij in bezwaar en daarna in beroep gegaan. Volgens deze automobiliste zou in een vergelijkbare situatie aan iemand met de Nederlandse nationaliteit een naheffingsaanslag over maximaal 12 maanden worden opgelegd. Er is volgens haar daarom sprake van indirecte discriminatie naar nationaliteit.
De belastingdienst deelt die mening niet. Volgens hem is zij vanaf 2013 Nederlands ingezetene en zijn de herkomst van de auto en haar nationaliteit in dit verband niet van belang. Er is volgens de inspecteur ook geen onderscheid naar nationaliteit en bovendien voorziet de wet in een tegenbewijsmogelijkheid en een teruggaafmogelijkheid. 

De rechtbank ziet in deze discussie aanleiding om de vraag over de discriminatie voor te leggen aan de Hoge Raad. Zo’n prejudiciële vraag is sinds enige tijd mogelijk. Op basis van het oordeel van de Hoge Raad kan de rechtbank dan straks een uitspraak doen. De vraag die de rechtbank stelt is kort samengevat of de specifieke regeling voor een langere naheffingstermijn voor auto’s met buitenlands kenteken een verboden indirecte discriminatie naar nationaliteit is en of het daarbij uitmaakt op wiens naam de auto staat. Het woord is nu aan de Hoge Raad. Wij houden u op de hoogte.

 

Lees verder