XLLeaseFiscaliteiten

Fiscaliteiten

Bouwstenen voor een nieuw belastingstelsel

Het gaat om onderzoeken aan de hand van zeven knelpunten in het huidige belastingsysteem. Naast een steeds hogere lastendruk op arbeid, vraagt bijvoorbeeld ook de opkomst van de flex- en platformeconomie om aanpassing van de wet. Ook zou het toebrengen van schade aan klimaat en gezondheid tot sterkte prijsprikkels via belastingheffing kunnen leiden. Bovendien blijft het gewenst het belastingstelsel eenvoudiger te maken.

Voor wat betreft de deeleconomie (bijvoorbeeld voor deelauto’s) is er nog geen helder beeld bij de totale omvang daarvan. Daar wordt verder onderzoek naar gedaan. Wel wordt nu al aanbevolen dat digitale platformen verplicht zouden moeten worden hun gegevens aan de belastingdienst aan te leveren. Ook de fiscale wetgeving kan op dit punt vereenvoudigd worden.

Als voorbeeld van de noodzakelijke vereenvoudiging wordt ook de bijtelling genoemd. De berijder moet een uitgebreide kilometeradministratie bijhouden als hij wil aantonen dat een voertuig alleen zakelijk wordt gebruikt. De btw-heffing op privégebruik kan ook eenvoudiger en beter. Bijvoorbeeld door de aftrek van btw al bij het maken van autokosten te beperken met het oog op toekomstig privégebruik. Voor een vereenvoudiging van de autobelastingen zou het volgens de opstellers van het rapport ook wenselijk zijn om op termijn zoveel mogelijk van de bijzondere regelingen in de MRB en BPM (bijvoorbeeld voor circusauto’s, particulier paardenvervoer etc.) af te schaffen of buiten de autobelastingen vorm te geven, bijvoorbeeld via subsidies. Ook de overgangsregeling voor oldtimers kan veel eenvoudiger.

In de autobelastingen zijn al veel vergroeningsmaatregelen getroffen. In het rapport wordt onder andere als extra optie genoemd: Het afschaffen van specifieke BPM- en MRB-regelingen voor overheidsvoertuigen zodat ook zij een prikkel krijgen om een nulemissie-voertuig te kopen, het invoeren van een CO2-component in de BPM op bestelauto’s, het afschaffen of verlagen van het MRB-tarief voor bestelauto’s van ondernemers, het invoeren van een stikstoftoeslag en fijnstoftoeslag in de MRB voor dieselpersonenauto’s en dieselbestelauto’s, en een uitbreiding van de milieu-investeringsaftrek.

Na de verkiezingen van volgend voorjaar kunnen deze bouwstenen gebruikt worden bij de volgende kabinetsformatie. Wij houden je van het vervolg op de hoogte!

Lees verder

Resultaten second opinion BPM-neutrale invoering deze maand bekend

De Tweede Kamer vroeg naar zo’n second opinion omdat het kabinet heeft aangegeven dat de totale bpm-opbrengst niet zou moeten stijgen of dalen als gevolg van de implementatie van WLTP.

Daarom wil de Tweede Kamer dat de regering onafhankelijk laat toetsen of de omzetting van NEDC1 naar NEDC2 én de omzetting van NEDC2 naar WLTP (per 1 juli aanstaande) beide budgettair neutraal zijn gegaan. Die beoordeling wil de Tweede Kamer zowel op macroniveau als voor de tien meest verkochte auto's.

Eerder verschenen al TNO-rapporten over de invoering van de WLTP-testmethode en de effecten op de BPM. De Tweede Kamer neemt daar echter geen genoegen mee. Nu de tweede fase van de implementatie van de WLTP-testmethode in de autobelastingen dichterbij komt, begint de tijd wel te dringen.Die tweede fase betreft de implementatie van de WLTP-testmethode als enige voorgeschreven testmethode bij het vaststellen van de bpm. Hierbij wordt overgegaan van de NEDC CO2-uitstoot naar de WLTP CO2-uitstoot. De bpm-tabel wordt per 1 juli 2020 hierop aangepast. Die aanpassing is overigens al door de Tweede en Eerste Kamer aangenomen, maar kan via wetswijziging indien nodig worden aangepast.

Lees verder

Proefrit of niet?

In het kentekenreglement is als belangrijke voorwaarde opgenomen: “Een handelaarskenteken mag uitsluitend worden gebruikt indien met het voertuig als bedoeld in het tweede en derde lid gebruik van de weg wordt gemaakt in het kader van bedrijfsactiviteiten van het erkende bedrijf of de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie het handelaarskenteken is opgegeven”.

In een recente procedure ging het om een auto waarvan de bestuurder ’s avonds om half twaalf staande was gehouden en volgens het politierapport had verklaard dat hij de auto van zijn vader had geleend omdat hij het leuk vond om in z'n dure auto een stukje te rijden. In de procedure werd nog aangevoerd dat hij daarna ook een soortgelijke auto had gekocht, maar daarvan werd geen bewijs aangeleverd. “Gelet op de verklaring van de bestuurder en het tijdstip van aanhouding is geen sprake geweest van proefrijden”, aldus de rechtbank. De naheffing met boete van 100% bleef dan ook in stand: een ritje van € 848.

Bij een autobedrijf uit een andere procedure was door de belastingdienst geconstateerd dat een auto met handelaarskenteken voor woon-werkverkeer gebruikt was. Een naheffing van motorrijtuigenbelasting en een boete van 100% volgde. Het autobedrijf stelde dat een werknemer met de auto naar zijn huisadres is gereden bij wijze van testrit na een reparatie. Daar heeft de werknemer de auto geparkeerd, om er de volgende dag mee terug naar het adres van het autobedrijf te rijden. De belastingdienst was van mening dat daarmee niet voldaan wordt aan de eis van gebruik voor bedrijfsactiviteiten. Volgens de rechtbank eindigde het gebruik van de weg in het kader van de bedrijfsactiviteiten in elk geval zodra haar werknemer de auto bij zijn huisadres parkeerde. Op dat moment was er volgens de rechtbank geen sprake meer van een proefrit.

De regeling voor het gebruik van het handelaarskenteken is een mooie flexibele regeling, maar het blijft dus opletten met het gebruik van de groene platen.

Lees verder

Hoge Raad staat beroep op overgangsregeling BPM toe

Eerder oordeelde de Hoge Raad al dat het op grond van de Europeesrechtelijke regels noodzakelijk is dat bij de Nederlandse registratie van de auto niet méér bpm wordt geheven dan het restbedrag aan bpm dat nog inbegrepen is in de waarde van gelijksoortige gebruikte auto’s die in Nederland op het tijdstip van de registratie al in de handel zijn.

In deze procedure ging het om een auto die op 27 februari 2013 in Duitsland voor het eerst was toegelaten op de weg. Voor de invoer van deze auto in Nederland is op 14 maart 2014 aangifte gedaan.

Degene die deze aangifte had ingediend, wilde hierbij het BPM-tarief van 2012 toepassen. Uitgangspunt in de BPM-wet is toepassing van het tarief van het jaar van aangifte (hier dus 2014). Omdat de tarieven de afgelopen jaren wisselden, en concurrentievervalsing tegengegaan moet worden, mag er ook gekozen worden uit een tarief van één van de jaren vanaf het jaar van eerste ingebruikneming (hier het jaar 2013).

Het jaar 2012 was daarmee bij deze auto dus nog niet mogelijk. Voor een goede vergelijking van de rest-BPM moet je echter kijken naar alle concurrerende auto’s. Dat zijn ook auto’s met dezelfde tenaamstellingsdatum in februari 2013 waarop met de overgangsregeling voor tariefswijzigingen nog in de eerste twee maanden van een jaar het tarief van het vorige jaar mocht worden toegepast.

De Hoge Raad oordeelt dan ook dat het tarief van 2012 ook toepasbaar is voor deze auto: “Zo is gewaarborgd dat belanghebbende ter zake van de registratie van de auto niet meer bpm betaalt dan het laagst mogelijke restbedrag aan bpm dat wordt geacht te zijn begrepen in de handelsinkoopwaarde van een gelijksoortig, in Nederland geregistreerd motorvoertuig”.

Met dit arrest kunnen alle hierover nog openstaande bezwaren worden afgewikkeld. Voor de toekomst is het bovendien een extra mogelijkheid voor verlaging van de BPM.

Lees verder

Lagere bijtelling voor ondernemers

Dat is vooral een belangrijke vraag als je op je huidige auto een bijtellingskorting hebt (bijvoorbeeld omdat het een plug-in hybride auto is) en je een nieuwe volledig elektrische (lease)auto hebt besteld. Alleen in dat geval krijg je op je nieuwe auto namelijk nog te maken met een lage bijtelling. In 2020 is de bijtelling dan 8% over het deel van de catalogusprijs dat onder de € 45.000 blijft.

Wordt je nieuwe auto later geleverd dan je had verwacht, dan krijg je op je huidige auto na de 60 maanden (die ingaan per de eerste dag van de nieuwe maand na de ‘datum eerste toelating’ die je op je kentekenbewijs vindt) de bijtelling zoals die oorspronkelijk zou zijn geweest zonder bijtellingskorting. Voor een auto uit 2015 is dat dan 25% van de catalogusprijs. Twee manieren om dat percentage te verlagen, zijn:

  • Maximering op werkelijke kosten
    Ben je zelfstandig ondernemer, dan is het goed om te weten dat je bijtelling voor privégebruik nooit hoger is dan de werkelijke kosten die je hebt. Stel bijvoorbeeld dat je bijtelling 25% van € 40.000 is, dus € 10.000 op jaarbasis. Als je werkelijke kosten dit jaar € 8.000 zijn, blijft je bijtelling beperkt tot € 8.000 in plaats van € 10.000.
  • Eigen bijdrage voor privégebruik
    Ben je directeur-aandeelhouder van je eigen B.V. die je ook een auto ter beschikking stelt, dan zou je kunnen overwegen om te gaan werken met een (hogere) eigen bijdrage voor privégebruik. Dat is voordelig als je zelf in de hoogste inkomstenbelastingschijf zit. Die eigen bijdrage is dan bij jou aftrekbaar en bij de B.V. tegen een lager tarief belast.

Voor de btw is het goed om te weten dat je als ondernemer de btw-heffing over het privégebruik vanaf het 4e jaar ná het jaar van ingebruikneming van de auto in jouw onderneming kunt verlagen van 2,7% naar 1,5%.

Lees verder

Versoepeling beleid reiskostenvergoedingen en BPM-maatregelen

Reiskostenvergoedingen

Veel werkgevers vergoeden woon-werkverkeer met een eigen vervoermiddel van de medewerker via een vast bedrag per maand. Dat is wel zo praktisch, omdat je dan niet hoeft bij te houden hoe veel dagen iemand naar zijn of haar werk is gereden. Fiscaal is het uitgangspunt voor een onbelaste reiskostenvergoeding wel een vergoeding per kilometer. Tot 19 eurocent per kilometer is zo’n vergoeding onbelast. Toch is een vaste reiskostenvergoeding fiscaal ook toegestaan als de woon-werkafstand niet meer is dan 75 kilometer. Bij kortdurende afwezigheid mag zo’n vaste vergoeding dan doorbetaald worden. Bij een woon-werkafstand vanaf 75 km enkele reis moest altijd wel nacalculatie plaatsvinden.

De staatssecretaris van Financiën heeft het beleid voor deze vaste vergoedingen op 14 april 2020 aangepast. Hij ziet in de praktijk dat de coronamaatregelen voor veel werknemers tot een verandering van hun reispatroon leiden. Dat zou kunnen betekenen dat een werkgever de vaste reiskostenvergoeding moet aanpassen of tot het loon moet rekenen. Dit vindt hij in deze bijzondere omstandigheden ongewenst. Daarom keurt hij goed dat een werkgever voor de looptijd van het afgekondigde besluit voor een vaste reiskostenvergoeding geen gevolgen verbindt aan een wijziging in het reispatroon van een werknemer. Dat kan ook bij een vaste reiskostenvergoeding met nacalculatie. Dit betekent dat de werkgever voor deze periode mag blijven uitgaan van de oorsponkelijke uitgangspunten qua frequentie van het woon-werkverkeer.

BPM-maatregelen

Verder is er een drietal BPM-maatregelen getroffen. Allereerst is het tot 1 juli 2020 mogelijk dat eenzelfde persoon de vrijstelling voor kortdurend gebruik van een buitenlands gekentekende auto voor een tweede keer aanvraagt voor hetzelfde motorrijtuig in die gevallen waarin de keuring voor het motorrijtuig niet kon plaatsvinden in verband met de coronamaatregelen van de RDW.

Verder was er een overgangsmaatregel voor ombouw van taxi’s in verband met het einde van de BPM-vrijstelling voor taxi’s. Die overgangsregeling liep af op 1 april. Veel in maart geplande keuringsafspraken bij de RDW zijn komen te vervallen. Inmiddels zijn keuringen bij RDW weer mogelijk. De deadline van 1 april is nu op 1 juli 2020 gezet.

Tot slot is er een regeling voor de BPM-aangiften bij invoer van een gebruikt voertuig. Als daarbij een taxatierapport wordt gebruikt, is de geldigheidsduur daarvan 1 maand. Door de coronamaatregelen bij RDW kan er echter ongewenst tijdsverloop optreden, waardoor de kentekeninschrijving niet binnen 1 maand na afgifte van het taxatierapport voltooid kan worden. Daarom keurt de staatssecretaris goed dat tot 1 juli 2020 bij de aangifte bpm een na 16 februari 2020 opgemaakt taxatierapport gebruikt mag worden dat niet ouder is dan 4 maanden.

Lees verder

Verruiming regeling milieu-investeringsaftrek bij sale en lease back gewenst

De milieu-investeringsaftrek is een extra fiscale aftrekpost in het jaar van het aangaan van de investeringsverplichting. Door die aftrekpost is er in dat jaar minder belasting verschuldigd over de winst.

Ná dat eerste jaar wordt de investering nog wel een aantal jaren gevolgd. Is er bijvoorbeeld geïnvesteerd in een elektrische auto en wordt deze binnen 4 jaar na dat eerste jaar ingeruild, dan moet er een zogenaamde desinvesteringsbijtelling bij de winst worden opgeteld. Die desinvesteringsbijtelling is dan het percentage dat destijds aan aftrek is geclaimd keer de inruilprijs.

Voorbeeld:

Stel dat je als ondernemer jouw elektrische auto in 2019 kocht voor € 60.000 excl. btw. Je kreeg toen een MIA-aftrekpost van 27% over maximaal van € 40.000. Dat is bij aanschaf van een auto van € 60.000 dus een aftrek van 18% van je investeringsbedrag. Dan krijg je in 2020 een desinvesteringsbijtelling van 18% over je inruilprijs. Stel dat deze € 54.000 excl. btw bedraagt, dan is je desinvesteringsbijtelling € 9.720.

De nieuwe eigenaar (de leasemaatschappij) kan dan op grond van de huidige regels alleen zelf weer MIA claimen (en in je leasetermijn verwerken) als de auto nog niet ouder is dan 6 maanden of niet meer dan 6.000 km gereden heeft. Bovendien is de MIA op een elektrische personenauto in 2020 lager dan vorig jaar.

Bij sale and lease back met operational lease kan dat een belemmering zijn voor het succes van deze mogelijkheid, terwijl de auto wel in gebruik blijft bij de huidige berijder. AMD automotive fiscalisten pleit er daarom voor dat de desinvesteringsbijtelling achterwege blijft als de ondernemer een leasecontract sluit dat minimaal loopt tot het einde van de oorspronkelijke periode van de desinvesteringsbijtelling.

Lees verder

Eerste contouren van de nieuwe BPM-werkwijze voor gebruikte auto’s bekend

Aanpassing is volgens de staatssecretaris nodig om het toezicht op invoer van gebruikte auto’s te verbeteren. Vooral als er gebruik wordt gemaakt van een taxatierapport om de BPM-afschrijving vast te stellen, acht hij fysiek toezicht wenselijk. Het aandeel van deze auto’s in de totale jaarlijkse autohandel bedroeg in 2018 ongeveer 3% van het totaal aantal verhandelde auto’s.

De staatssecretaris schrijft aan de Tweede Kamer dat hij ook de optie heeft verkend om het hele waarderingsvraagstuk bij gebruikte voertuigen te schrappen. Omdat het hier ook om grensoverschrijdende handel gaat, kan dat op grond van Europese regels echter alleen als de BPM compleet van opzet verandert. In plaats van een eenmalige registratiebelasting zou het dan een belasting moeten worden bij elke tenaamstelling in het kentekenregister. Dus ook bij de binnenlandse handel in occasions (overschrijving in het kentekenregister) en ook bij verkoop tussen particulieren. Dat zou betekenen dat er in plaats van de huidige 600.000 nieuwe kentekenregistraties per jaar 2,5 miljoen belastbare transacties zijn.

De staatssecretaris kiest daar niet voor. In plaats daarvan wil hij het toezicht op de parallelimport versterken. Dit wil hij doen door RDW de BPM-aangifte te laten controleren bij de fysieke controle van het voertuig voor de registratie in het kentekenregister.

Als RDW dan adviseert dat er gebreken zitten in de taxatie, als de taxatie twijfels oproept of als er om een andere reden verder onderzoek nodig is, dan kan de Belastingdienst besluiten dat het voertuig moet worden aangeboden voor een hertaxatie. De auto moet dan naar een keuringslocatie van de Dienst Roerende Zaken en het zogenaamde ‘fiscaal akkoord’ voor de kentekeninschrijving wordt dan opgeschort totdat het voertuig is aangeboden voor deze hertaxatie. De importeur gaat de kosten voor deze hertaxatie dragen.

De plannen zijn nog niet definitief. De belastingdienst, DRZ en RDW werken dit in het tweede kwartaal van dit jaar verder uit. Later dit jaar volgt dan een wetsvoorstel.

Lees verder

Doorschuifregeling voorkomt BPM-heffing bij inruil

Bij aanschaf van een nieuwe bestelauto hebben ondernemers recht op een vrijstelling van BPM. Als de gebruikte bestelauto binnen 5 jaar na eerste kentekenregistratie wordt verkocht, moet je in principe rest-BPM afdragen.

Maar als de nieuwe eigenaar ook een ondernemer is, kan de vrijstelling overgaan op de nieuwe eigenaar. Daarvoor kun je bij de wijziging van de tenaamstelling van de bestelauto een beroep doen op de zogenaamde doorschuifregeling. De koper neemt dan voor de BPM op deze auto de plaats in van de verkoper. De nieuwe eigenaar moet binnen de termijn van 5 jaar blijven voldoen aan de voorwaarden voor de vrijstelling: namelijk dat hij een btw-ondernemer is en de bestelauto voor minimaal 10% zakelijk gebruikt binnen zijn onderneming.

Om de doorschuifregeling te kunnen toepassen moet in de administratie van de verkopende ondernemer een verklaring van beide partijen zijn opgenomen waarin zij verklaren dat de koper voor de BPM op de betreffende bestelauto in de plaats is getreden van de verkoper.

Doe je geen beroep op de doorschuifregeling, dan ben je als verkoper rest-BPM verschuldigd. De nieuwe eigenaar kan – ook als hij ondernemer is – die BPM dan helaas niet terugvragen. De doorschuifregeling voorkomt die BPM-heffing.

Tip: Hoewel de doorschuifverklaring vormvrij is, weet je zeker dat je alle gegevens hebt als je het formulier gebruikt dat je kunt downloaden van de website belastingdienst.nl.

Lees verder

Coronacrisis en reiskostenvergoedingen (update 16 april 2020)

Veel werkgevers vergoeden woon-werkverkeer met een eigen vervoermiddel van de medewerker via een vast bedrag per maand. Dat is wel zo praktisch, omdat je dan niet hoeft bij te houden hoe veel dagen iemand naar zijn of haar werk is gereden. Fiscaal is het uitgangspunt voor een onbelaste reiskostenvergoeding wel een vergoeding per kilometer. Tot 19 eurocent per kilometer is zo’n vergoeding onbelast. Toch is een vaste reiskostenvergoeding fiscaal ook toegestaan als de woon-werkafstand niet meer is dan 75 kilometer. Bij een woon-werkafstand vanaf 75 km enkele reis moet altijd wel nacalculatie plaatsvinden.

Voor het vaststellen van zo’n vaste vergoeding mag je bij een full time dienstverband uitgaan van 214 dagen per jaar. Er is bij dat aantal uitgegaan van het reguliere aantal werkdagen per jaar verminderd met het gemiddeld aantal dagen van kortdurende afwezigheid door vakantie, verlof en ziekte. Dat aantal vermenigvuldig je dan met de totale reisafstand heen en terug. De uitkomst verdeel je over het aantal maanden of weken.

Eis hierbij is wel dat de medewerker “op jaarbasis doorgaans naar een vaste arbeidsplaats reist”. Dat is het geval als hij of zij op jaarbasis vermoedelijk ten minste 36 weken (70% x 52 weken) naar het werk reist. Door de huidige coronacrisis is dat niet direct anders.

Kortdurende afwezigheid is al verwerkt in het aantal van 214 werkdagen. Van kortdurende afwezigheid is volgens het betreffende beleidsbesluit van de staatssecretaris van Financiën sprake “als in redelijkheid een afwezigheid van maximaal zes aaneensluitende weken is te verwachten”. Als de werkgever de reiskostenvergoeding in die periode doorbetaalt, blijft dat onbelast.

Verder staat in die regeling: “Op het moment dat een langdurige afwezigheid in redelijkheid is te voorzien, mag de vaste reiskostenvergoeding de lopende en de eerstvolgende kalendermaand nog onbelast worden uitbetaald. Daarna is een vaste onbelaste reiskostenvergoeding pas weer toegestaan per de eerste van de maand volgende op de maand van herstel”. Deze tekst is vooral geënt op ziekte van de werknemer zelf en niet zozeer op preventief thuis werken.

Update 16 april 2020: de staatssecretaris van Financiën heeft deze week een besluit gepubliceerd dat tot nader order de reiskostenvergoedingen onbelast betaald mogen blijven worden op basis van de oorspronkelijke uitgangspunten. Ook bij een afstand groter dan 75 km. Met het ontbreken van woon-werkverkeer door de coronacrisis hoeft dan geen rekening te worden gehouden.

Heeft de medewerker een auto van de zaak die hij of zij ook privé gebruikt, dan geldt voor die auto de forfaitaire bijtelling. Die blijft in principe ook doorlopen als je niet naar je werk gaat. Het forfait van 22% van de catalogusprijs kan hoger worden bij ‘excessief privégebruik’. Ook al gebruik je de auto op dit moment misschien niet of nauwelijks voor woon-werkverkeer of zakelijke ritten, het lijkt niet aannemelijk dat dit dan als excessief privégebruik aangemerkt kan worden.

Lees verder

Fiscale maatregelen coronavirus (update 19 maart 2020)

Om ervoor te zorgen dat ondernemers liquiditeitsproblemen het hoofd kunnen bieden, is er de mogelijkheid tot het verzoek om bijzonder uitstel van betaling in de inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, omzetbelasting en loonbelasting.

De Belastingdienst zal 3 maanden uitstel van betaling verlenen als je daar als ondernemer om vraagt. Zodra het verzoek om uitstel bij de Belastingdienst binnen is, zet de Belastingdienst de invordering stil. De eerder aangekondigde verklaring van een ‘derde deskundige’ dat je door de coronacrisis in de problemen bent gekomen is voor deze 3 maanden uitstel niet meer nodig.

De rente die je aan de belastingdienst moet betalen over het bedrag waarvoor je uitstel krijgt, wordt zo spoedig mogelijk verlaagd naar 0,01% op jaarbasis. Ook de zogenaamde belastingrente op aanslagen over verstreken tijdvakken gaat per 1 juni naar 0,01%. Voor de inkomstenbelasting wordt die datum om uitvoeringstechnische redenen 1 juli 2020.

Om ondernemers tegemoet te komen zal de Belastingdienst de komende tijd een verzuimboete voor het niet (tijdig) betalen achterwege laten of terugdraaien.

Daarnaast betaal je als ondernemer vaak belasting op basis van een voorlopige aanslag inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting. Verwacht je een lagere winst door de coronacrisis, dan kun je een verzoek indienen voor een verlaging van de voorlopige aanslag, zodat je meteen minder belasting gaat betalen. Deze verzoeken zullen door de Belastingdienst worden ingewilligd. Het kan ook zo zijn dat het bedrag van de nieuwe voorlopige aanslag lager is dan de belasting die je in de eerste maanden van dit jaar al hebt betaald. In dat geval krijg je het verschil uitbetaald.

Naast deze fiscale maatregelen zijn er ook maatregelen m.b.t. loonbetalingen, financiering en uitkeringen. Deze vind je op https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/coronavirus-covid-19

Lees verder

Meer nieuws over de subsidie voor de particuliere elektrische auto

De regeling wordt naar verwachting in mei of begin juni definitief vastgesteld. Elektrische auto’s die vanaf dat moment gekocht of privé geleast worden, komen in aanmerking voor de subsidie. Die kan dan vanaf 1 juli aangevraagd worden bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).

Zoals eerder al uitlekte, is het subsidiebedrag voor 2020 € 4.000 voor een nieuwe personenauto en € 2.000 voor een gebruikte elektrische auto.

De regeling is bedoeld om elektrisch rijden voor particulieren in een nieuwe of gebruikte middenklassenauto te stimuleren. Daarom komen alleen nulemissieauto’s met een cataloguswaarde tussen de € 12.000 en € 45.000 in aanmerking. Daarnaast is de minimale actieradius 120 kilometer. Hybride of plug-in hybride auto’s zijn uitgesloten van de regeling.

Na aanschaf van de auto of het begin van de lease moet de auto een paar jaar in Nederland bij dezelfde eigenaar blijven. Bij koop is de minimale bezitsduur 3 jaar, bij lease geldt een duur van 4 jaar. Als je het leasecontract binnen vier jaar beëindigt, stopt ook de subsidie, die in maandelijkse termijnen wordt uitbetaald.

Om misbruik te voorkomen krijg je de subsidie alleen bij aankoop via een autobedrijf met een officiële voorraaderkenning of bij een leasecontract met een Keurmerk Private Lease van de Stichting Keurmerk Private Lease. Een particulier kan ook slechts één keer subsidie aanvragen. Omdat elektrische auto’s naar verwachting een steeds lagere aanschafprijs hebben, loopt het subsidiebedrag de komende jaren voor nieuwe auto’s terug (2022: € 3.700, 2023: € 3.350, 2024: € 2.950, 2025: € 2.550). Voor gebruikte auto’s blijft het € 2000.

Mochten er de komende tijd nog wijzigingen in de regeling optreden, dan houden wij je vanzelfsprekend via deze website op de hoogte.

Lees verder

Bij ziekte toch bijtelling voor je zakelijke auto?

Over die vragen zijn er voorbeelden in de jurisprudentie van de belastingrechter. Zo is er een zaak waarin een werknemer door een herseninfarct lichamelijke klachten had, zoals duizeligheid. Hij wilde geen risico nemen en reed daarom niet meer met de auto. Zijn rijbewijs was nog wel gewoon geldig. Een rittenregistratie had hij in geen van de volgende jaren bijgehouden, zodat de belastingdienst een naheffing oplegde voor de bijtelling over vier jaren.

De rechter oordeelde dat het bij deze medische situatie voor de hand had gelegen dat het CBR een onderzoek had gedaan, wat niet was gebeurd. Maar bovendien sluit ziekte niet uit dat anderen, bijvoorbeeld gezinsleden, de auto van de zaak hebben gebruikt voor privéritten.

Dat er ook nog twee privéauto’s waren, levert ook onvoldoende bewijs op dat de zakelijke auto niet voor privéritten is gebruikt. Daarnaast vond de rechter het opmerkelijk dat deze berijder nadat hij het herseninfarct had gehad, nog wel een nieuwe, behoorlijk duurdere auto van de zaak ter beschikking had gekregen.

In deze situatie oordeelde de rechter dat niet was aangetoond dat de auto voor niet meer dan 500 kilometer op kalenderjaarbasis voor privédoeleinden was gebruikt. Het advies in zulke situaties is dan ook om een sluitende rittenregistratie bij te houden, als de auto tijdens ziekte ter beschikking gesteld blijft.

Lees verder

Nieuwe uitspraken over BPM bij invoer

De BPM bij invoer is een ingewikkeld thema. Dat komt vooral doordat er Europeesrechtelijke kanten aan zitten. De Nederlandse BPM mag op grond van het Europese vrije handelsverkeer bij invoer namelijk niet hoger zijn dan het restant aan BPM dat nog rust op een vergelijkbare binnenlandse auto. Anders zou de BPM handelsbelemmerend kunnen werken. De BPM op een invoerauto kan berekend worden met een afschrijvingstabel, met een koerslijst of met een taxatierapport. Dat laatste kan overigens alleen bij echte schadeauto’s.

In twee nieuwe arresten oordeelt de Hoge Raad over twee vraagstukken die met deze BPM-berekening samenhangen. De eerste vraag is of de belastingdienst mag eisen dat een ingevoerde schadeauto voor controle naar de Dienst Domeinen in Soesterberg, Bleiswijk of Hoogeveen gebracht wordt. De Hoge Raad oordeelt dat die eis inderdaad gesteld mag worden. Wat overigens niet betekent dat de bewijslast omgekeerd wordt als er geen gehoor gegeven wordt aan de oproep. De rechter zal dan zelf moeten oordelen over het taxatierapport.

In de tweede zaak ging het om de BPM-berekening met gebruik van een koerslijst. In die zaak had iemand een koerslijst gebruikt waarop nét de ingevoerde uitvoering niet stond. Hij had daarom een andere uitvoering gekozen als basis. De inspecteur wilde een andere koerslijst gebruiken, waarop de exacte uitvoering van de betreffende auto wél stond. De Hoge Raad oordeelde dat het dan inderdaad terecht is dat er een naheffing volgt op basis van die andere koerslijst. Daarmee wordt dan het beste aangesloten bij de BPM die al rust op binnenlandse vergelijkbare auto’s.

Lees verder

Staatssecretaris: fiscale stimulering emissievrije auto’s is een investering

De Tweede Kamer vroeg de staatssecretaris of hij het eens is met de conclusie van de Algemene Rekenkamer dat de kosten per vermeden ton CO2 op een bedrag van € 1700 uitkomen.

Dat bedrag is berekend door het budgettaire belang van de fiscale stimulering van de in 2018 verkochte elektrische auto’s te delen door de CO2-reductie die met deze elektrische auto’s wordt bereikt. De Algemene Rekenkamer hanteert dit als graadmeter voor de kosteneffectiviteit van beleid, al geeft zij wel aan dat dit bedrag door gebruik te maken van andere aannames en gegevens zowel hoger als lager uit kan vallen.

Het kabinet is echter van mening dat de berekening van de Algemene Rekenkamer de kosten en effecten van beleid slechts zeer beperkt in beeld brengt en daarom niet als uitgangspunt voor beleid kan dienen. Deze benadering houdt namelijk geen rekening met gedragseffecten.

Als in de autobelastingen aan de ‘fiscale knoppen wordt gedraaid’, volgen er namelijk tal van verschuivingen in de verkoop van nieuwe auto’s, het wagenpark, tank- en laadgedrag. En als gevolg daarvan treden er verschuivingen op in de belastingopbrengsten en het aantal bespaarde tonnen CO2. Bovendien ontstaat volgens de staatssecretaris door de benadering van de Algemene Rekenkamer een eenzijdige focus op CO2, terwijl emissievrije auto’s ook andere waardevolle voordelen voor de Nederlandse maatschappij met zich meebrengen.

Bij die voordelen kun je denken aan verbetering van de luchtkwaliteit, vermindering van geluidsoverlast en verminderde afhankelijkheid van fossiele brandstoffen. En bovendien aan innovatiekansen voor Nederlandse bedrijven die investeren in de ontwikkeling van emissievrije technieken. Het Kabinet ziet de fiscale stimulering van emissievrije auto’s dan ook als een initiële investering in de transitie naar emissievrij rijden.

Lees verder