XLLeaseFiscaliteiten

Fiscaliteiten

Mobiliteit in het regeerakkoord

Het coalitieakkoord van het kabinet Rutte III bevat voor de belastingen die de mobiliteit raken de volgende maatregelen.

Het streven is dat uiterlijk in 2030 alle nieuwe auto’s emissieloos zijn. De fiscale stimulering van emissieloze auto’s wordt in lijn hiermee uitgefaseerd. Voor het nieuwe wagenpark wordt gezorgd voor een voldoende tank- en laadinfrastructuur. Levering en exploitatie van laadapparatuur blijft primair de verantwoordelijkheid van marktpartijen.

Door het instellen van een milieuzone en het hanteren van lagere parkeertarieven voor emissieloze auto’s hebben gemeenten instrumenten om de luchtkwaliteit in binnensteden te verbeteren. Er zal één systeem met eenduidige categorieën en borden voor milieuzones worden ingevoerd.

Voor de BPM wordt geregeld dat de teruggaaf voor taxi's verdwijnt.

Samen met de Mobiliteitsalliantie voert het kabinet in deze kabinetsperiode pilots uit om ervaringen op te doen met alternatieve vormen van vervoer en betaling, zonder dat dit leidt tot een systeem van rekeningrijden.

In navolging van omringende landen wordt zo spoedig mogelijk een kilometerheffing voor vrachtverkeer ingevoerd. Het registratiesysteem en het betalingssysteem wordt gelijk aan dat in de buurlanden, zodat voor vrachtauto’s geen extra apparatuur benodigd is. De inkomsten uit de heffing zullen in overleg met de sector worden teruggesluisd naar de vervoerssector door verlaging van de motorrijtuigenbelasting op vrachtauto’s en gelden voor innovatie in en verduurzaming.

Het hoge vennootschapsbelastingtarief daalt in stappen van 25% naar 21% en het lage tarief van 20% naar 16%. Dat betekent indirect ook dat B.V.’s en N.V.’s hun aftrekposten tegen een lager tarief kunnen verzilveren. Het kan daarom verstandig zijn zodra de exacte ingangsdatum van de tariefsverlaging bekend is, orders naar voren te halen zodat de kleinschaligheids-, milieu-, en energie-investeringsaftrek mogelijk tegen een hoger tarief aftrekbaar zijn.

 

Lees verder

Rechter gaat voorbij aan achteraf opgestelde rittenregistratie

Een achteraf opgestelde rittenregistratie zonder objectief controleerbare gegevens levert geen tegenbewijs voor de bijtelling op. Dat was althans de uitkomst van een recente procedure bij Gerechtshof Arnhem.

Het ging daarbij over een naheffing van de bijtelling over maar liefst 5 jaren. In die jaren had deze directeur-aandeelhouder twee auto’s van zijn B.V. in gebruik. Voor één van beide was de bijtelling berekend, maar voor de andere niet.

Voor die zakelijk gebruikte auto was in het verleden wel een rittenregistratie bijgehouden, maar vanaf 2008 gebeurde dat niet meer. In de loop van 2008 had de B.V. ook schriftelijk aan de directeur laten weten dat alleen de ene auto “mede voor privégebruik aan u ter beschikking is gesteld”.

De achtergrond daarvan zal geweest zijn dat de zakelijke auto dan überhaupt niet ter beschikking staat, zodat ook tegenbewijs niet nodig is.

De rechter oordeelde echter dat het vaste rechtspraak is dat als “aan een belastingplichtige door zijn werkgever meerdere auto’s ter beschikking zijn gesteld, in beginsel voor ieder van die auto’s een bijtelling dient te worden toegepast”. Daar kan dan vervolgens tegenbewijs tegen geleverd worden. Dat hoeft niet per se een rittenregistratie te zijn. Ook op andere wijze kan overtuigend aangetoond worden dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt. Dat is echter wel een heel lastige bewijspositie. Dat bleek hier ook. Verklaringen van onder meer de echtgenote over het privégebruik van de auto werden ter zijde geschoven, omdat zij mede belang had bij de uitkomst van de procedure.

De rittenregistratie die de directeur alsnog heeft gereconstrueerd voor één van de controlejaren leverde evenmin het verlangde bewijs. De rittenregistratie bevatte volgens de rechters geen objectief controleerbare gegevens. Zo ontbraken bijvoorbeeld gegevens van de Nationale Auto Pas of facturen van garagebedrijven aan de hand waarvan de feitelijke kilometerstand op enig moment kan worden vastgesteld. Per rit bevatte de rittenregistratie ook geen begin- en eindstand van de kilometerteller van de auto, niet altijd de exact adressen, en de afstand was soms geschat. Omleidingen en extra kilometers voor bijvoorbeeld tanken en garagebezoek waren ook niet opgenomen.
De combinatie van alles was deze berijder heeft aangedragen was voor het gerechtshof onvoldoende tegenbewijs ter voorkoming van de bijtelling. 

Het direct starten met een goede (digitale) rittenregistratie kan dit soort discussies voorkomen. Bij gebruik van meerdere zakelijke auto’s tegelijkertijd kunnen soms ook afspraken met de belastingdienst gemaakt worden over de hoogte van de bijtelling.

 

Lees verder

Prinsjesdag 2017 en de maatregelen voor 2018

Op Prinsjesdag geven wij u traditiegetrouw een overzicht van de per volgend jaar te verwachten maatregelen in de autobelastingen.

In de wetsvoorstellen van Prinsjesdag zitten dit jaar niet veel specifieke maatregelen voor de autobelastingen voor volgend jaar. De eerste reden daarvoor is de demissionaire status van het kabinet, waardoor de plannen voor 2018 beleidsarm zijn. De tweede reden is dat we nu in het eerste jaar zitten van de uitwerking van de plannen uit Autobrief II, waarin voor een nieuwe vierjaarsperiode diverse maatregelen zijn genomen.

Al deze maatregelen samen betekenen voor 2018 het volgende.

Bijtelling

Voor de bijtelling geldt in 2018 een standaardpercentage van 22%. Een bijtellingskorting is er voor nieuwe auto’s alleen nog bij een CO2-uitstoot van 0 gram/km. De bijtelling is dan 4% van de cataloguswaarde. De beperking van dit 4%-forfait tot de eerste 50.000 euro gaat pas per 2019 in voor auto's met een Datum Eerste Toelating vanaf 2019 en voor auto's waarvoor het bijtellingspercentage na de eerste 60 maanden opnieuw wordt vastgesteld.

In februari 2018 zal tussentijds worden geëvalueerd hoeveel gebruik er wordt gemaakt van het verlaagde bijtellingspercentage. De Tweede Kamer kan dan besluiten het percentage bij te stellen.

Het oude 25%-tarief geldt nog voor alle auto’s met een eerste tenaamstelling tot en met 2016. Als op die auto’s destijds een lagere bijtelling gold in verband met lage CO2-uitstoot, mag dat percentage gebruikt blijven worden zolang de 60-maandsperiode niet verstreken is.

Voor de catalogusprijs gaat vanaf 2018 gelden dat deze door de fabrikant of importeur publiekelijk kenbaar gemaakt moet worden. Op dit moment geldt dat de prijs alleen aan de wederverkopers kenbaar gemaakt hoeft te worden.

BPM

De BPM-schijven worden per 1 januari aangepast aan de technische vooruitgang die tot CO2-afname leidt. Dit gebeurt door aanscherping van de CO2-normen van de tariefschijven.
Auto’s met een nieuwe typegoedkeuring worden thans getest met de nieuwe WLTP-methode. Bij wijze van overgangsmaatregel wordt in 2018 voor de BPM-berekening echter nog de omgerekende NEDC-waarde van de CO2-uitstoot gehanteerd.

De BPM-tarieven worden per 2018 wel naar beneden bijgesteld. De nieuwe bijtellingstarieven leiden namelijk tot hogere belastingopbrengst, die via verlaging van de BPM aan de automobilist wordt teruggegeven.

Voor volledig elektrische auto’s blijft in 2018 de BPM-vrijstelling van kracht.

MRB

Volledig elektrische auto’s kunnen in 2018 gebruik maken van een MRB-nihiltarief. Voor plug-in hybride auto’s geldt een halftarief van de wegenbelasting (MRB).

Voor de berekening van de MRB gaat op een nader te bepalen tijdstip in 2018 de in Europa gebruikte term ‘massa rijklaar’ gelden in plaats van de ‘eigen massa’. Op de hoogte van de te betalen MRB heeft dat geen invloed.

Niet uitgesloten is dat in de parlementaire behandeling van het Belastingplan 2018 en bijbehorende wetsvoorstellen nog wijzigingen optreden. Wij houden u daar dan via onze website over op de hoogte.

Lees verder

Rechtbank Den Haag: Bijtellingsverschil 22 en 25 procent toegestaan (update 26 september)

Per 1 januari 2017 zijn de autobelastingen op een aantal punten gewijzigd. Eén van de veranderingen is een verlaging van het algemene bijtellingspercentage van 25% naar 22%. Auto’s met een Datum Eerste Tenaamstelling (DET) vóór 2017 blijven echter in de 25%-categorie vallen.
VZR vindt dit fiscale discriminatie en is daarom een procedure gestart. Uit het ledenbestand van VZR is een viertal VZR-leden gevraagd deel te nemen aan deze procedure. Doel van deze procedure is het krijgen van een oordeel van de belastingrechter over de vraag of dit verschil in bijtelling wel of niet een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling van gelijke gevallen oplevert of op een andere manier in strijd is met de wet of de verdragen.
In de procedure worden zowel personen- als bestelauto’s en zowel iets oudere als nieuwere auto’s meegenomen.

Stand van zaken

Nadat de vier ingediende bezwaarschriften door de belastingdienst zijn afgewezen, is beroep ingesteld bij de Rechtbank in Den Haag. De rechtbank heeft inmiddels uitspraak gedaan, en het beroep helaas afgewezen.

De rechtbank laat in het midden of er sprake is van gelijke gevallen, maar richt zich in eerste instantie op de vraag of de nieuwe regeling binnen de fiscaal ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever valt.

De keuze voor een verlaging van het percentage is naar het oordeel van de rechters mede ingegeven door het feit dat nieuwe auto’s in het algemeen een lager brandstofverbruik hebben. Daarmee strookt dat het lagere bijtellingspercentage alleen geldt voor nieuwe auto’s.
Ook omwille van de uitvoerbaarheid heeft de wetgever volgens de rechtbank deze keuze mogen maken. Dat de wetgever bij de overgang naar het lagere percentage ook een andere keuze had kunnen maken, maakt niet dat de huidige overgangsregeling “van redelijke grond ontbloot is”. De gekozen wettelijke regeling waarbij het nieuwe percentage alleen voor nieuwe auto’s geldt, valt naar het oordeel van de rechtbank onder de beoordelingsvrijheid van de wetgever. 

Tegen het oordeel van de rechtbank staat de mogelijkheid van hoger beroep of cassatieberoep open. Update 26 september 2017: Inmiddels is besloten één van de zaken van de spoedprocedures via zogenaamde sprongcassatie aan de Hoge Raad voor te leggen. Wij houden u op de hoogte!

 

Lees verder

Bij wisseling werkgever nieuwe bijtellingskeuze mogelijk

Bij wisseling van werkgever kan voor de bijtelling een nieuwe keuze gemaakt worden. Van rittenregistratie naar bijtellen, of andersom. Maar let wel op de privékilometers.

Omdat de bijtelling voor privégebruik van een auto van de zaak via de loonadministratie van de werkgever loopt, hebben werknemers met zo’n auto de mogelijkheid om bij wisseling van werkgever ook te wisselen van bijtellingskeuze.

Ieder van beide werkgevers is verantwoordelijk voor de loonheffingen over de periode waarin de werknemer bij dat bedrijf in dienst is. Als dat niet het hele jaar is, moet er bij gebruik van een rittenregistratie gekeken worden naar een tijdsevenredig deel van het maximale aantal privékilometers dat in zo’n geval geldt. Dat maximum is 500 km op jaarbasis.

Omdat bij de nieuwe werkgever een nieuwe periode begint, kan de werknemer er voor kiezen om bij die nieuwe werkgever alsnog privé met bijtelling te gaan rijden als hij bij de vorige werkgever een rittenregistratie had, of andersom.

Stel bijvoorbeeld dat iemand vanaf 1 januari tot 1 oktober bij werkgever A werkt. In die periode is het privégebruik 300 kilometer. Dat is minder dan 9/12 van 500 km. Er hoeft geen bijtelling bij het loon geteld te worden. Vanaf 1 oktober werkt hij bij werkgever B en rijdt hij tot het einde van het jaar 1500 km privé. Vanaf 1 oktober wordt er dan een bijtelling bij het loon geteld. Daarop worden loonheffingen ingehouden.

Wisseling van werkgever biedt dus mogelijkheden voor de bijtelling, maar let wel op het tijdsevenredige karakter van de 500 kilometergrens.

 

Lees verder

WLTP testmethode vanaf 1 september van kracht

Vanaf 1 september 2017 wordt een nieuwe testmethode van kracht om de CO2-uitstoot voor nieuwe auto’s vast te stellen. Wat betekent dit voor de BPM?

De huidige testmethode voor de vaststelling van de CO2-uitstoot (de NEDC testmethode) kent tekortkomingen waardoor de CO2-uitstoot in de praktijk vaak hoger uitkomt dan de in de test gemeten uitstoot. Per september 2017 wordt daarom een nieuwe testmethode ingevoerd. Dat is de Worldwide harmonized Light vehicles Test Procedures, afgekort als WLTP. Deze nieuwe testmethode doet meer recht aan het werkelijke brandstofverbruik dan de oude methode. Dat komt bijvoorbeeld doordat er gewerkt wordt met een test over een langere tijd, meer niet-stadsverkeerritten, een hogere topsnelheid en het mee laten tellen van opties. Een goed overzicht van de verschillen tussen de oude en nieuwe test is te vinden op de website emissietesten.nl.

Deze nieuwe WLTP-methode wordt verplicht per 1 september 2017 voor auto’s met een nieuwe typegoedkeuring. Bestaande modellen met de huidige NEDC-typegoedkeuring hoeven vanaf september nog niet opnieuw te worden getest. Een jaar later wordt de nieuwe testmethode verplicht voor alle nieuw verkochte modellen met uitzondering van uitlopende series. Met ingang van 1 september 2019 moeten alle nieuw verkochte voertuigen beschikken over een CO2-waarde vastgesteld conform de WLTP.

Door de invoering van de WLTP moeten ook de autobelastingen aangepast worden die met de CO2-uitstoot samenhangen. Dat betreft vooral de BPM. Uitgangspunt is dat in 2017 en 2018 de al vastgestelde BPM-tarieftabellen gebruikt blijven worden. Voor auto’s met een WLTP-typegoedkeuring wordt daar dan een omrekenfactor op toegepast. De WLTP-test zal namelijk tot hogere uitstootcijfers leiden dan de NEDC-test. Door de omrekenfactor blijven de autobelastingen echter budgetneutraal. 

Voor de jaren na 2018 wordt de BPM-wet nog aangepast door invoering van een nieuwe tabel. Het voorstel daarvoor zal in de loop van 2018 naar de Tweede Kamer gaan. Wij houden u op de hoogte.

 

Lees verder

Het belang van een goede rittenregistratie

Een rittenregistratie met 487 privékilometers, maar toch bijtelling? Dat lijkt bij eerste aanblik niet logisch. Hoe zit dat?

Een rittenregistratie met niet meer dan 500 km privégebruik, maar toch bijtelling. Dat overkwam recent een berijder van een auto van de zaak. Hij had een rittenregistratie bijgehouden waarover de inspecteur van de belastingdienst bij controle een aantal vragen heeft gesteld. De controle leidde tot een naheffing, waartegen deze berijder bezwaar heeft gemaakt en later beroep en hoger beroep heeft ingesteld.

In de beroepsprocedure heeft deze berijder een verbeterde rittenregistratie ingeleverd. In de door de belastingdienst gecontroleerde eerste versie was er sprake van 596 ritten in het jaar, waarvan 162 kilometer voor privé was. De verbeterde versie liet 647 ritten zien, met 487 privékilometers.

Toch heeft deze berijder daarmee volgens het Gerechtshof niet voldaan aan de bewijslast van de tegenbewijsregeling. Er moet dan “overtuigend aangetoond worden” dat het privégebruik niet meer is geweest dan 500 km. De nieuwe rittenregistratie is echter geen overtuigend bewijs, zo oordeelde het Gerechtshof. De berijder kon voor een aantal verschillen tussen beide administraties geen verklaring geven. De nieuwe administratie was bovendien ook niet sluitend. Zo werd bij een aantal opeenvolgende ritten uitgegaan van dezelfde beginstand van de kilometerteller. Daarnaast zaten er onvolkomenheden in voor wat betreft het aantal kilometers per rit, het aantal ritten en het karakter van de ritten: privé of zakelijk. Al met al voldoende punten om deze rittenregistratie niet als tegenbewijs te accepteren. 

Deze uitspraak toont opnieuw het belang aan van een goede rittenregistratie. Een geautomatiseerde rittenregistratie kan daarbij een handig hulpmiddel zijn.

 

Lees verder

Opbrengsten BPM in 2016 flink gestegen

De overheid heeft in 2016 een bedrag van 25,3 miljard euro aan milieubelastingen en milieuheffingen ontvangen. Dit is 3,0 procent meer dan in 2015. De BPM steeg echter met 6,1%. Dat blijkt uit nieuwe cijfers van het CBS.

De overheid ontving 20,7 miljard euro aan milieubelastingen en 4,6 miljard euro aan milieuheffingen in 2016. De opbrengsten van milieubelastingen worden niet specifiek voor het milieu besteed en zijn vooral gekoppeld aan het bezit en gebruik van auto’s en het energieverbruik. Milieuheffingen worden opgelegd voor de financiering van specifieke milieumaatregelen.
De accijns op brandstof bedroeg in 2016 8,1 miljard euro, de motorrijtuigenbelasting leverde 5,6 miljard euro op.

De opbrengst van de belasting op nieuw aangeschafte personenauto's en motorrijwielen (BPM) steeg met 6,1 procent  tot 1,6 miljard euro. Huishoudens brachten 28 procent meer BPM op, ondernemingen 7 procent minder. Tariefverhogingen zijn één van de oorzaken van deze stijging. Voor de BPM zijn in 2016 de CO?-grenzen aangescherpt voor benzine- en dieselauto’s en zijn de BPM-tarieven van de drie hoogste categorieën van CO?-uitstoot verhoogd. Met de aanscherping zou de tabel van de BPM gelijke tred moeten houden met de technische vooruitgang die tot afname van CO2-uitstoot leidt. Een mogelijke verklaring van de stijging is dat met name particuliere kopers niet kiezen voor de meest zuinige modellen met de laagste CO2-uitstoot. 
Vanaf 2017 zal de BPM-opbrengst naar verwachting dalen, omdat de BPM-tarieven in de jaren 2017 tot en met 2020 in totaal met zo’n 15% verlaagd worden.

Lees verder

Veel misverstanden rondom btw-heffing youngtimer

Bij youngtimers en oldtimers wordt vaak gedacht dat de btw-heffing voor het privégebruik het standaardpercentage van 2,7% bedraagt. Dat is echter een misverstand.

In principe kan een ondernemer de btw op de aanschaf en op de gebruikskosten van zijn zakelijke auto als ‘aftrek van voorbelasting’ terugvragen via zijn btw-aangifte. Als de auto niet alleen zakelijk, maar ook privé gebruikt wordt, moet er voor dat privédeel een correctie op die btw-aftrek plaatsvinden.

Dat kan met gebruik van een zogenaamd forfait. De btw-heffing voor het privégebruik wordt dan berekend als 2,7% van de catalogusprijs van de auto. Dat is echter de nieuwprijs, zodat dit voor youngtimers en oldtimers vaak te hoog uitvalt.

Het is echter ook mogelijk om de btw-heffing voor het privégebruik te berekenen op basis van de werkelijke kilometerverhoudingen. De werkelijk afgetrokken btw wordt dan in die verhouding gecorrigeerd. De btw op de aanschaf telt voor 1/5 mee in elk van de eerste 5 bezitsjaren van de auto.

Is de auto zónder btw gekocht (als margeauto of bij aankoop van een particulier), dan mag in plaats van het forfait van 2,7% een forfait van 1,5% gebruikt worden.

Is de auto wel met btw gekocht, dan geldt ten slot nog de regeling dat ná het 4e jaar na het jaar van de eigen aanschaf (dus níet het bouwjaar) het forfait ook wordt verlaagd tot 1,5%.

 

Lees verder

Vrijstelling BPM bij verhuizing: let op fiscale woonplaats

Als bij immigratie een auto naar Nederland wordt meegebracht, geldt daarvoor in principe een vrijstelling van BPM. Maar niet altijd betekent een immigratie ook een verandering van fiscale woonplaats.

Voor de zogenaamde verhuisboedelvrijstelling geldt als belangrijkse voorwaarden dat degene die het voertuig invoert ten minste 12 maanden in het buitenland heeft gewoond, de auto al minstens zes maanden in bezit heeft en na immigratie nog op zijn minst 12 maanden in bezit blijft houden.

Het komt echter nogal eens voor dat iemand wel 12 maanden in het buitenland is geweest, maar daar niet heeft gewoond in de fiscale betekenis van dat woord. De fiscale woonplaats is dan dus Nederland gebleven. Bij terugkeer naar Nederland geldt dan voor de meegebracht auto helaas géén vrijstelling.

Een voorbeeld uit de praktijk is bijvoorbeeld de situatie dat een werknemer door het bedrijf naar het buitenland is uitgezonden en daar verblijft in een door het bedrijf gehuurde woning, terwijl zijn gezin in Nederland blijft. Bij discussie met de belastingdienst zal zullen volgens de rechtspraak uiteindelijk de persoonlijke bindingen de doorslag geven voor de vraag in welk land zijn fiscale woonplaats gelegen is. Als de fiscale woonplaats in Nederland is gebleven, geldt voor de in te voeren auto helaas geen verhuisboedelvrijstelling. In soortgelijke gevallen is een goede fiscale beoordeling voorafgaand aan de terugkeer naar Nederland sterk aan te raden.

Lees verder