XLLeaseFiscaliteiten

Fiscaliteiten

Bij verklaring geen privégebruik geen inhouding op het loon

Die vraag kwam aan de orde in een kort geding van een werknemer van wie de arbeidsovereenkomst beëindigd was. Bij de eindafrekening van zijn loon hield de voormalig werkgever alsnog loonheffingen in voor de bijtelling van zijn auto over de afgelopen periode.

Onterecht, zo oordeelde de kantonrechter. De werknemer overlegde een verklaring van de belastingdienst dat de Verklaring geen privégebruik tot gevolg heeft dat de werkgever geen bijtelling meer mag toepassen en dat het aan de werknemer zelf is om zo nodig aan de belastingdienst overtuigend bewijs te leveren dat de auto voor niet meer dan 500 km per jaar privé is gebruikt.

De werkgever stelde nog dat hij verplicht is om de bijtelling toe te passen als de werknemer geen rittenregistratie aan hem verstrekt. Maar dat is naar het oordeel van de kantonrechter onjuist.

De werkgever is met zo’n verklaring geen privégebruik in principe gevrijwaard van naheffingen. Rittenregistraties heeft hij daar niet voor nodig. Alleen als hij weet dat de verklaring ten onrechte is afgegeven, wordt de naheffing aan de werkgever opgelegd. In andere gevallen vindt eventuele naheffing bij de werknemer plaats.

Lees verder

Het belang van een goede rittenregistratie

Een rittenregistratie met niet meer dan 500 km privégebruik, maar toch bijtelling. Dat overkwam een berijder van een auto van de zaak. Hij had een rittenregistratie bijgehouden waarover de inspecteur van de belastingdienst bij controle een aantal vragen heeft gesteld. De controle leidde tot een naheffing, waartegen deze berijder bezwaar heeft gemaakt en later beroep en hoger beroep heeft ingesteld.

In de beroepsprocedure heeft deze berijder een verbeterde rittenregistratie ingeleverd. In de door de belastingdienst gecontroleerde eerste versie was er sprake van 596 ritten in het jaar, waarvan 162 kilometer voor privé was. De verbeterde versie liet 647 ritten zien, met 487 privékilometers.

Toch heeft deze berijder daarmee volgens het Gerechtshof niet voldaan aan de bewijslast van de tegenbewijsregeling. Er moet dan “overtuigend aangetoond worden” dat het privégebruik niet meer is geweest dan 500 km. De nieuwe rittenregistratie is echter geen overtuigend bewijs, zo oordeelde het Gerechtshof. De berijder kon voor een aantal verschillen tussen beide administraties geen verklaring geven. De nieuwe administratie was bovendien ook niet sluitend. Zo werd bij een aantal opeenvolgende ritten uitgegaan van dezelfde beginstand van de kilometerteller. Daarnaast zaten er onvolkomenheden in voor wat betreft het aantal kilometers per rit, het aantal ritten en het karakter van de ritten: privé of zakelijk. Al met al voldoende punten om deze rittenregistratie niet als tegenbewijs te accepteren.

Deze uitspraak toont het belang aan van een goede rittenregistratie. Een geautomatiseerde rittenregistratie kan daarbij een handig hulpmiddel zijn.

Lees verder

Pilot met variabele bijtelling start deze zomer

De Mobiliteitsalliantie is een samenwerkingsverband van zo’n 25 partijen, opgericht om ervoor te zorgen dat de bewegingsvrijheid van Nederland ook in de toekomst behouden blijft. Dit vraagt om een verandering naar een nieuw, slimmer mobiliteitssysteem, aldus de Mobilteitsalliantie. Partners in die alliantie zijn bijvoorbeeld OV-bedrijven, Transport & Logistiek Nederland, Rai Vereniging, VNA, ANWB en de Vereniging Zakelijke Rijders.

Onderdeel van de plannen is een omzetting van vaste fiscale heffingen naar ‘betalen naar gebruik’. In dat kader start deze zomer met 100 deelnemers een pilot met variabele bijtelling op privégebruik van een auto van de zaak.

In de periode van augustus tot en met december 2020 wordt bij de deelnemers aan de pilot het aantal privékilometers gemeten. Gekeken wordt wat er zou gebeuren als berijders geen vast maandelijks bedrag aan fiscale bijtelling voor privégebruik zouden betalen, maar een bedrag gebaseerd op het echte aantal gereden privékilometers. Maandelijks zien de deelnemers wat het effect is op hun rijgedrag en krijgen zij een overzicht van het bedrag dat zij aan bijtelling zouden moeten betalen als dit de werkelijke situatie zou zijn.

Dit experiment onderzoekt hiermee of de invoering van een variabele bijtelling effect heeft op de privéritten. De deelnemer heeft zelf de keuze om wel of niet te reizen of om anders te reizen. Ook wordt onderzocht wat die andere invulling dan is.
De pilot loopt tot eind 2020. We houden je op de hoogte!

Lees verder

Besluit over btw-heffing privégebruik is herzien

Uitgangspunt voor deze btw-heffing is het werkelijke privégebruik en de daadwerkelijk daaraan toerekenbare kosten. Zijn die gegevens niet bekend, dan kan de btw worden berekend met een forfait. Dat bedraagt 2,7% van de catalogusprijs (inclusief btw en bpm). Na het vijfde bezitsjaar wordt dit 1,5%.

Dat percentage moet dan eens per jaar worden aangegeven. Je mag het tijdsevenredig aanpassen als de auto niet het hele jaar voor privédoeleinden ter beschikking staat.

Het forfait kan ervoor zorgen dat je als ondernemer méér aan btw verschuldigd bent dan de btw die je in dat jaar hebt afgetrokken. Dit komt doordat in het forfait afschrijvingskosten zitten, terwijl je de btw over de aanschaf in één keer aftrekt in het jaar van aanschaf. Gebruik je het forfait, dan mag je als maximumbedrag nu hanteren: het bedrag van de in het jaar afgetrokken btw, plus 1/5 deel van de btw op de aanschaf, zolang er met in begrip van het aanschafjaar nog geen 5 jaar zijn verstreken.

Ben je als ondernemer voor je eigen activiteiten geheel of voor een deel btw-vrijgesteld, dan werkt dat ook door in deze btw-heffing over het privégebruik van de auto. Als je bijvoorbeeld voor 50% belaste en voor 50% vrijgestelde activiteiten hebt, en de btw die drukt op de autokosten daarom slechts voor een deel in aftrek brengt, wordt het forfait verlaagd tot 50% van 2,7%.

Naar aanleiding van jurisprudentie is ten slotte nog aan het besluit toegevoegd dat gebruik van statistische gegevens voor het aantonen van het privégebruik toegestaan is. Dit is wel aan concrete voorwaarden gebonden, die er in de kern op neer komen dat aangetoond moet worden dat de statistische gegevens in het concrete geval ook bruikbaar zijn. Wil je niet het forfait toepassen, dan is het daarom aan te raden om de werkelijke ritgegevens vast te leggen. Dat kan bijvoorbeeld zinvol zijn bij gebruik van een occasion, een bestelauto met bpm-vrijstelling of een auto die je relatief weinig privé gebruikt. Denk eraan dat woon-werkverkeer voor de btw privégebruik is, ook al is het voor de loon- en inkomstenbelasting zakelijk gebruik vande auto.

Lees verder

Algemene Rekenkamer presenteert rapport over autobelastingen

De hoofdconclusie van de analyse van de Algemene Rekenkamer is dat elektrische auto’s aanzienlijke belastingbedragen vergen, zowel per auto als per bespaarde ton CO2. Deze belastingposten hangen samen met de milieudoelstellingen die het kabinet met deze maatregelen nastreeft. De belastingvoordelen voor elektrische auto’s komen vooral terecht bij zakelijke rijders, aldus de Algemene Rekenkamer. Voor de bestelauto’s concludeert de Rekenkamer dat er met de BPM-vrijstelling en het lage MRB-tarief een groot bedrag is gemoeid en dat de fiscale regelingen voor bestelauto’s weinig positieve invloed hebben op het bereiken van luchtkwaliteits- en klimaatdoelen.

In het rapport is ook de reactie van de staatssecretaris van Financiën opgenomen. Hij wijst er onder meer op dat Nederland zich heeft gecommitteerd aan het klimaatakkoord van Parijs. In de Nederlandse klimaatwet is de Parijsdoelstelling vertaald naar 95% CO2-reductie in 2050 en een tussenambitie van 49% reductie in 2030. In het regeerakkoord is daarom de ambitie opgenomen om in 2030 100% van de nieuwverkochte auto’s emissievrij te laten zijn. In het Klimaatakkoord heeft het kabinet daarom afgesproken de fiscale stimulering tot en met 2025 voort te zetten. Tegelijkertijd wordt deze stimulering afgebouwd om gelijke tred te houden met de marktontwikkelingen en de dalende kosten van elektrische auto’s en is deze vooral gericht op middelgrote en kleine elektrische auto’s.
“Emissievrij rijden biedt naast een lagere CO2-uitstoot bredere voordelen voor de samenleving, zoals innovatiekansen voor Nederlandse bedrijven en verminderde afhankelijkheid van fossiele brandstoffen” aldus de staatssecretaris. “Tevens betekent meer emissievrije auto’s minder stikstofuitstoot, gezondere lucht en minder geluidsoverlast”.

Wij voegen daaraan toe dat er inmiddels ook voor particuliere auto’s een subsidieregeling (de SEPP) is opengesteld. Zie www.rvo.nl voor deze subsidieregeling en de voorwaarden daarvan.

Lees verder

Versoepeling beleid reiskostenvergoedingen (update)

Veel werkgevers vergoeden woon-werkverkeer met een eigen vervoermiddel van de medewerker via een vast bedrag per maand. Dat is wel zo praktisch, omdat je dan niet hoeft bij te houden hoe veel dagen iemand naar zijn of haar werk is gereden. Fiscaal is het uitgangspunt voor een onbelaste reiskostenvergoeding wel een vergoeding per kilometer. Tot 19 eurocent per kilometer is zo’n vergoeding onbelast. Toch is een vaste reiskostenvergoeding fiscaal ook toegestaan als de woon-werkafstand niet meer is dan 75 kilometer. Bij kortdurende afwezigheid mag zo’n vaste vergoeding dan doorbetaald worden. Bij een woon-werkafstand vanaf 75 km enkele reis moest altijd wel nacalculatie plaatsvinden.

De staatssecretaris van Financiën heeft het beleid voor deze vaste vergoedingen op 14 april 2020 aangepast. Hij ziet in de praktijk dat de coronamaatregelen voor veel werknemers tot een verandering van hun reispatroon leiden. Dat zou kunnen betekenen dat een werkgever de vaste reiskostenvergoeding moet aanpassen of tot het loon moet rekenen. Dit vindt hij in deze bijzondere omstandigheden ongewenst. Daarom keurt hij goed dat een werkgever voor de looptijd van het afgekondigde besluit voor een vaste reiskostenvergoeding geen gevolgen verbindt aan een wijziging in het reispatroon van een werknemer. Dat kan ook bij een vaste reiskostenvergoeding met nacalculatie. Dit betekent dat de werkgever voor deze periode mag blijven uitgaan van de oorsponkelijke uitgangspunten qua frequentie van het woon-werkverkeer.

In de nieuwste versie van de goedkeurende maatregelen voor de reiskostenvergoedingen is ook opgenomen dat je, als een vaste reiskostenvergoeding afhankelijk was van een keuze van de werknemer, deze keuze uiterlijk op 12 maart 2020 moet hebben gemaakt. Zoiets doet zich bijvoorbeeld voor bij een zogenaamde cafetariaregeling waarbij je bruto loon in geld kunt ruilen voor andere vormen van loon.
Dat betekent dus dat voor de thuiswerkdagen geen onbelaste reiskostenvergoeding mag worden verstrekt als je bijvoorbeeld aan het eind van dit jaar besluit om bruto loon te ruilen voor een onbelaste kilometervergoeding voor het woon-werkverkeer. Dat kan echter wel als je zo’n keuze al vóór 13 maart 2020 gemaakt hebt.

Lees verder

Voorkom dubbele bijtelling door regeling tijdelijk vervangende leasevoertuig

De Brancheregeling Tijdelijk Vervangend Leasevoertuig kan dan goede diensten bewijzen om dubbele bijtelling te voorkomen.

Deze brancheregeling is ontstaan op initiatief van de Vereniging van Nederlandse Autoleasemaatschappijen. Het betreft praktische werkafspraken met de belastingdienst voor situaties waarin tijdelijk een vervangend leasevoertuig wordt ingezet. Bij inzet van een vervangende auto wordt dan schriftelijk tussen werkgever en werknemer vastgelegd dat de vaste auto tijdelijk niet ter beschikking staat. De werknemer levert daarbij de auto, de papieren en de sleutel in bij de werkgever of de leasemaatschappij.

De schriftelijke vastlegging moet alle gegevens bevatten waarmee de bijtelling van het vervangende voertuig kan worden berekend, de exacte periode van vervanging en ook het kenteken van de vervangen auto. Deze vastlegging moet de werkgever bij de loonadministratie bewaren.

Als je voldoet aan de administratieve vereisten, kan deze regeling een goede oplossing bieden om tijdelijk, bijvoorbeeld in de vakantieperiode, een andere auto in te zetten.
De volledige tekst van de brancheregeling is te vinden op de website van de belastingdienst.

Lees verder

Samenloop tussen particuliere EV-subsidie en ondernemingsvermogen niet mogelijk

De achtergrond van deze vraag is dat je als zelfstandig ondernemer voor de inkomstenbelasting de mogelijkheid hebt om je auto bij een combinatie van zakelijk en privégebruik tot je privévermogen te rekenen. Je hebt dan geen bijtelling, maar wel btw-aftrek.

Voor een elektrische auto zal het met die keuzeregeling meestal het voordeligst zijn om wél te kiezen voor ondernemingsvermogen. De bijtelling op een EV is immers relatief laag. Daarnaast heb je als ondernemer btw-aftrek, is de EV vrijgesteld van de aanschafbelasting BPM en tot en met 2024 vrij van motorrijtuigenbelasting. Bovendien krijg je zakelijk een extra aftrekpost: de milieu-investeringsaftrek van 13,5% over maximaal € 40.000.

Kies je met deze keuzeregeling voor kwalificatie als ondernemingsvermogen, dan kun je de SEPP van € 4.000 niet aanvragen. In de voorwaarden is namelijk bepaald dat de auto in geval van aankoop uitsluitend tot het privévermogen gerekend mag worden. Hiermee wordt samenloop tussen de regelingen voor ondernemers en particulieren voorkomen.

Met de SEPP kun je ook als particulier profiteren van een extra aanschafstimulering. Je kunt de SEPP vanaf 1 juli 2020 aanvragen via rvo.nl voor contracten vanaf 4 juni 2020.

Lees verder

Subsidieregeling particuliere EV opengesteld

Met de subsidie wil het kabinet rijden met volledig elektrische personenauto’s (EV’s) aantrekkelijker maken. Deze auto’s zijn energiezuinig, goed voor het klimaat en dragen bij aan schone lucht. Particulieren in Nederland die een nieuwe of gebruikte elektrische auto kopen of leasen komen daarom vanaf 4 juni 2020 in aanmerking voor een subsidie.

Deze subsidie van deze zogenaamde SEPP-regeling zorgt voor verkleining van het prijsverschil tussen een elektrische auto en een benzine- of dieselauto. Ook de BPM-vrijstelling draagt daar aan bij. Van zo’n EV zijn bovendien de verbruikskosten lager en is er tot en met 2024 een vrijstelling van motorrijtuigenbelasting.

Met de Subsidie Elektrische Personenauto’s Particulieren worden zowel nieuwe als gebruikte elektrische personenauto’s gesubsidieerd. De subsidie staat open voor natuurlijke personen. Zij komen eenmalig in aanmerking voor subsidie als wordt voldaan aan de voorwaarden. De subsidieregeling loopt van 1 juli 2020 tot 1 juli 2025, tenzij het budget eerder op is. Het totale beschikbare budget voor 2020 is € 17,2 miljoen. Het budget voor nieuwe elektrische personenauto’s is € 10 miljoen en voor gebruikte elektrische personenauto’s € 7,2 miljoen. De jaarbudgetten voor 2021 en later zijn nog niet bekend.

In aanmerking komt een 100% elektrische personenauto met een actieradius van minimaal 120 kilometer en een catalogusprijs tussen € 12.000 en € 45.000.

Voor 2020 en 2021 zijn de subsidiebedragen € 2.000 voor een gebruikte EV en € 4.000 voor een nieuwe EV. Bij aanschaf moet het gaan om aanschaf via een RDW-erkend autobedrijf. Bij lease om een contract met een leasemaatschappij met het Keurmerk Private Lease.

De subsidie kun je online via rvo.nl aanvragen vanaf 1 juli 2020 voor een koop- of leaseovereenkomst met een datum op of na 4 juni 2020. Op rvo.nl vind je ook alle exacte voorwaarden.

Lees verder

Second opinion: WLTP budgetneutraal in BPM ingevoerd

De eerste onderzoeksvraag heeft betrekking op de analyse van TNO dat de teruggerekende NEDC-CO2-uitstoot volgens het rekenmodel CO2mpas gemiddeld hoger is dan de oude NEDC, maar dat die toename vrijwel volledig toe te schrijven is aan veranderde voertuigkenmerken: de WLTP-auto’s zijn gemiddeld zwaarder en krachtiger. Deze conclusie is volgens de second opinion terecht.

Uit de second opinion van professor Koopmans blijkt verder dat de berekeningen en resultaten in de onderzoeksrapporten op een degelijke wijze zijn uitgevoerd en lijken te kloppen. Ook is de bpm-tabel per 1 juli 2020 op een correcte wijze omgezet op zo’n manier dat in zijn totaal bezien budgetneutraliteit is bereikt.

Vervolgens is ook gekeken naar de omzetting voor tien meest verkochte auto’s. Uit de second opinion blijkt dat de bpm voor de tien meest verkochte auto’s met gemiddeld tien procent daalt. Voor de twintig meest verkochte modellen daalt de bpm met gemiddeld zes procent. Voor alle verkochte auto’s samen verandert de totale bpm-opbrengst naar verwachting niet door de omzetting.

Staatssecretaris Vijlbrief van Financiën concludeert op basis van dit rapport dat er geen reden is om te twijfelen aan de kwaliteit van de door TNO uitgevoerde onderzoeken en de toegepaste ramingen voor de WLTP-implementatie per 1 juli 2020 en concludeert dat de implementatie van de WLTP in de BPM correct is uitgevoerd.

Lees verder

Bouwstenen voor een nieuw belastingstelsel

Het gaat om onderzoeken aan de hand van zeven knelpunten in het huidige belastingsysteem. Naast een steeds hogere lastendruk op arbeid, vraagt bijvoorbeeld ook de opkomst van de flex- en platformeconomie om aanpassing van de wet. Ook zou het toebrengen van schade aan klimaat en gezondheid tot sterkte prijsprikkels via belastingheffing kunnen leiden. Bovendien blijft het gewenst het belastingstelsel eenvoudiger te maken.

Voor wat betreft de deeleconomie (bijvoorbeeld voor deelauto’s) is er nog geen helder beeld bij de totale omvang daarvan. Daar wordt verder onderzoek naar gedaan. Wel wordt nu al aanbevolen dat digitale platformen verplicht zouden moeten worden hun gegevens aan de belastingdienst aan te leveren. Ook de fiscale wetgeving kan op dit punt vereenvoudigd worden.

Als voorbeeld van de noodzakelijke vereenvoudiging wordt ook de bijtelling genoemd. De berijder moet een uitgebreide kilometeradministratie bijhouden als hij wil aantonen dat een voertuig alleen zakelijk wordt gebruikt. De btw-heffing op privégebruik kan ook eenvoudiger en beter. Bijvoorbeeld door de aftrek van btw al bij het maken van autokosten te beperken met het oog op toekomstig privégebruik. Voor een vereenvoudiging van de autobelastingen zou het volgens de opstellers van het rapport ook wenselijk zijn om op termijn zoveel mogelijk van de bijzondere regelingen in de MRB en BPM (bijvoorbeeld voor circusauto’s, particulier paardenvervoer etc.) af te schaffen of buiten de autobelastingen vorm te geven, bijvoorbeeld via subsidies. Ook de overgangsregeling voor oldtimers kan veel eenvoudiger.

In de autobelastingen zijn al veel vergroeningsmaatregelen getroffen. In het rapport wordt onder andere als extra optie genoemd: Het afschaffen van specifieke BPM- en MRB-regelingen voor overheidsvoertuigen zodat ook zij een prikkel krijgen om een nulemissie-voertuig te kopen, het invoeren van een CO2-component in de BPM op bestelauto’s, het afschaffen of verlagen van het MRB-tarief voor bestelauto’s van ondernemers, het invoeren van een stikstoftoeslag en fijnstoftoeslag in de MRB voor dieselpersonenauto’s en dieselbestelauto’s, en een uitbreiding van de milieu-investeringsaftrek.

Na de verkiezingen van volgend voorjaar kunnen deze bouwstenen gebruikt worden bij de volgende kabinetsformatie. Wij houden je van het vervolg op de hoogte!

Lees verder

Resultaten second opinion BPM-neutrale invoering deze maand bekend

De Tweede Kamer vroeg naar zo’n second opinion omdat het kabinet heeft aangegeven dat de totale bpm-opbrengst niet zou moeten stijgen of dalen als gevolg van de implementatie van WLTP.

Daarom wil de Tweede Kamer dat de regering onafhankelijk laat toetsen of de omzetting van NEDC1 naar NEDC2 én de omzetting van NEDC2 naar WLTP (per 1 juli aanstaande) beide budgettair neutraal zijn gegaan. Die beoordeling wil de Tweede Kamer zowel op macroniveau als voor de tien meest verkochte auto's.

Eerder verschenen al TNO-rapporten over de invoering van de WLTP-testmethode en de effecten op de BPM. De Tweede Kamer neemt daar echter geen genoegen mee. Nu de tweede fase van de implementatie van de WLTP-testmethode in de autobelastingen dichterbij komt, begint de tijd wel te dringen.Die tweede fase betreft de implementatie van de WLTP-testmethode als enige voorgeschreven testmethode bij het vaststellen van de bpm. Hierbij wordt overgegaan van de NEDC CO2-uitstoot naar de WLTP CO2-uitstoot. De bpm-tabel wordt per 1 juli 2020 hierop aangepast. Die aanpassing is overigens al door de Tweede en Eerste Kamer aangenomen, maar kan via wetswijziging indien nodig worden aangepast.

Lees verder

Proefrit of niet?

In het kentekenreglement is als belangrijke voorwaarde opgenomen: “Een handelaarskenteken mag uitsluitend worden gebruikt indien met het voertuig als bedoeld in het tweede en derde lid gebruik van de weg wordt gemaakt in het kader van bedrijfsactiviteiten van het erkende bedrijf of de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie het handelaarskenteken is opgegeven”.

In een recente procedure ging het om een auto waarvan de bestuurder ’s avonds om half twaalf staande was gehouden en volgens het politierapport had verklaard dat hij de auto van zijn vader had geleend omdat hij het leuk vond om in z'n dure auto een stukje te rijden. In de procedure werd nog aangevoerd dat hij daarna ook een soortgelijke auto had gekocht, maar daarvan werd geen bewijs aangeleverd. “Gelet op de verklaring van de bestuurder en het tijdstip van aanhouding is geen sprake geweest van proefrijden”, aldus de rechtbank. De naheffing met boete van 100% bleef dan ook in stand: een ritje van € 848.

Bij een autobedrijf uit een andere procedure was door de belastingdienst geconstateerd dat een auto met handelaarskenteken voor woon-werkverkeer gebruikt was. Een naheffing van motorrijtuigenbelasting en een boete van 100% volgde. Het autobedrijf stelde dat een werknemer met de auto naar zijn huisadres is gereden bij wijze van testrit na een reparatie. Daar heeft de werknemer de auto geparkeerd, om er de volgende dag mee terug naar het adres van het autobedrijf te rijden. De belastingdienst was van mening dat daarmee niet voldaan wordt aan de eis van gebruik voor bedrijfsactiviteiten. Volgens de rechtbank eindigde het gebruik van de weg in het kader van de bedrijfsactiviteiten in elk geval zodra haar werknemer de auto bij zijn huisadres parkeerde. Op dat moment was er volgens de rechtbank geen sprake meer van een proefrit.

De regeling voor het gebruik van het handelaarskenteken is een mooie flexibele regeling, maar het blijft dus opletten met het gebruik van de groene platen.

Lees verder

Hoge Raad staat beroep op overgangsregeling BPM toe

Eerder oordeelde de Hoge Raad al dat het op grond van de Europeesrechtelijke regels noodzakelijk is dat bij de Nederlandse registratie van de auto niet méér bpm wordt geheven dan het restbedrag aan bpm dat nog inbegrepen is in de waarde van gelijksoortige gebruikte auto’s die in Nederland op het tijdstip van de registratie al in de handel zijn.

In deze procedure ging het om een auto die op 27 februari 2013 in Duitsland voor het eerst was toegelaten op de weg. Voor de invoer van deze auto in Nederland is op 14 maart 2014 aangifte gedaan.

Degene die deze aangifte had ingediend, wilde hierbij het BPM-tarief van 2012 toepassen. Uitgangspunt in de BPM-wet is toepassing van het tarief van het jaar van aangifte (hier dus 2014). Omdat de tarieven de afgelopen jaren wisselden, en concurrentievervalsing tegengegaan moet worden, mag er ook gekozen worden uit een tarief van één van de jaren vanaf het jaar van eerste ingebruikneming (hier het jaar 2013).

Het jaar 2012 was daarmee bij deze auto dus nog niet mogelijk. Voor een goede vergelijking van de rest-BPM moet je echter kijken naar alle concurrerende auto’s. Dat zijn ook auto’s met dezelfde tenaamstellingsdatum in februari 2013 waarop met de overgangsregeling voor tariefswijzigingen nog in de eerste twee maanden van een jaar het tarief van het vorige jaar mocht worden toegepast.

De Hoge Raad oordeelt dan ook dat het tarief van 2012 ook toepasbaar is voor deze auto: “Zo is gewaarborgd dat belanghebbende ter zake van de registratie van de auto niet meer bpm betaalt dan het laagst mogelijke restbedrag aan bpm dat wordt geacht te zijn begrepen in de handelsinkoopwaarde van een gelijksoortig, in Nederland geregistreerd motorvoertuig”.

Met dit arrest kunnen alle hierover nog openstaande bezwaren worden afgewikkeld. Voor de toekomst is het bovendien een extra mogelijkheid voor verlaging van de BPM.

Lees verder

Lagere bijtelling voor ondernemers

Dat is vooral een belangrijke vraag als je op je huidige auto een bijtellingskorting hebt (bijvoorbeeld omdat het een plug-in hybride auto is) en je een nieuwe volledig elektrische (lease)auto hebt besteld. Alleen in dat geval krijg je op je nieuwe auto namelijk nog te maken met een lage bijtelling. In 2020 is de bijtelling dan 8% over het deel van de catalogusprijs dat onder de € 45.000 blijft.

Wordt je nieuwe auto later geleverd dan je had verwacht, dan krijg je op je huidige auto na de 60 maanden (die ingaan per de eerste dag van de nieuwe maand na de ‘datum eerste toelating’ die je op je kentekenbewijs vindt) de bijtelling zoals die oorspronkelijk zou zijn geweest zonder bijtellingskorting. Voor een auto uit 2015 is dat dan 25% van de catalogusprijs. Twee manieren om dat percentage te verlagen, zijn:

  • Maximering op werkelijke kosten
    Ben je zelfstandig ondernemer, dan is het goed om te weten dat je bijtelling voor privégebruik nooit hoger is dan de werkelijke kosten die je hebt. Stel bijvoorbeeld dat je bijtelling 25% van € 40.000 is, dus € 10.000 op jaarbasis. Als je werkelijke kosten dit jaar € 8.000 zijn, blijft je bijtelling beperkt tot € 8.000 in plaats van € 10.000.
  • Eigen bijdrage voor privégebruik
    Ben je directeur-aandeelhouder van je eigen B.V. die je ook een auto ter beschikking stelt, dan zou je kunnen overwegen om te gaan werken met een (hogere) eigen bijdrage voor privégebruik. Dat is voordelig als je zelf in de hoogste inkomstenbelastingschijf zit. Die eigen bijdrage is dan bij jou aftrekbaar en bij de B.V. tegen een lager tarief belast.

Voor de btw is het goed om te weten dat je als ondernemer de btw-heffing over het privégebruik vanaf het 4e jaar ná het jaar van ingebruikneming van de auto in jouw onderneming kunt verlagen van 2,7% naar 1,5%.

Lees verder