XLLeaseFiscaliteiten

Fiscaliteiten

VNO-NCW: langere ingroeiperiode gewenst bij wijziging bijtelling

Rond het jaar 2024 wordt een integrale evaluatie uitgevoerd. Aan de hand van de laatste ontwikkelingen binnen de automarkt kan dan worden bepaald welke maatregelen na 2025 nodig en gewenst zijn om het streven naar 100% nul-emissie nieuwverkopen te realiseren.

Naast deze evaluatie wordt er de komende jaren ook steeds jaarlijks getoetst om de ‘hand aan de kraan’ te houden en overstimulering te voorkomen. Het kabinet kan dan ingrijpen als er bijvoorbeeld substantieel meer elektrische auto’s worden verkocht dan voorzien. Als dat leidt tot aanpassing van het bijtellingstarief, wordt dat volgens het wetsvoorstel in de maand september voorafgaand aan het wijzigingsjaar gepubliceerd.

In haar commentaar op de fiscale wetsvoorstellen voor 2020 merkt VNO-NCW op dat die tijdsplanning met publicatie in de maand september werkgevers, investeerders, leasemaatschappijen, dealers en importeurs in de praktijk slechts 3 maanden de tijd geeft. Dat is volgens VNO-NCW onvoldoende om op die aanpassing te anticiperen. Immers, de werkgevers krijgen last van hun met de ondernemingsraad afgestemde mobiliteitsbeleid (verlagen CO2-footprint), investeerders in duurzame assets (waterstof- en snellaadstations) baseren hun beleggingen – net als leasemaatschappijen hun restwaarde en dus de leaseprijs – op de wettelijk vastgestelde fiscaliteit en vanwege de lange levertijden van elektrische auto’s dienen dealers vaak al tot een jaar van te voren hun bestellingen te plaatsen. VNO-NCW kan zich voorstellen dat het kabinet met de hand aan de kraan wenst te stimuleren, maar dit zou er niet moeten leiden dat werkgevers en marktpartijen te laat weten waar ze aan toe zijn. Zij roept de Tweede Kamer daarom op om de markt meer tijd te geven door in september van een bepaald jaar de maatregelen te presenteren die ingaan per 1 januari van jaar dat volgt na ommekomst van een heel eerste jaar. Dat geeft marktpartijen dan zo’n 15 maanden voorbereidingstijd.

Lees verder

Hogere investeringsaftrek door goede timing van investeringen

De investeringsaftrek is er in verschillende vormen. Naast energie-investeringsaftrek en milieu-investeringsaftrek voor energiezuinige investeringen bestaat ook de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek. Op die laatste vorm gaan we in dit artikel in.

De kleinschaligheidsinvesteringsaftrek wordt verleend op investeringen vanaf € 450 in de vorm van koop of financial lease. De kleinschaligheidsinvesteringsaftrek geldt niet voor alle investeringen: Het moet allereerst gaan om investeringen voor je eigen onderneming. Daarnaast is het belangrijk dat personenauto’s van de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek zijn uitgezonderd, behalve wanneer ze bestemd zijn voor het ‘beroepsvervoer over de weg’ (vooral taxi’s). In de praktijk is deze aftrekpost daarom vooral belangrijk voor bestelauto’s.

De hoogte van de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek is in 2019 bedraagt 28% als het investeringstotaal van dit jaar groter is dan € 2.300 maar niet meer dan € 57.321. Boven dat bedrag is er tot een totale investering van € 106.150 een vaste aftrek van € 16.051. De vaste aftrek wordt bij investeringen tussen € 106.150 en € 318.449 afgebouwd naar een aftrek van nihil door de vaste aftrek te verlagen met 7,56% van het investeringstotaal boven € 106.150.
De tabel voor 2020 laat een soortgelijk patroon zien, waarbij de bedragen nog worden geïndexeerd voor inflatiecorrectie.

Het percentage investeringsaftrek hangt af van het totale investeringsbedrag in een bepaald jaar. Als je dit jaar nog niet veel investeringen hebt gedaan maar voor volgend jaar wel grote investeringen verwacht, kan het daarom bijvoorbeeld zinvol zijn dit jaar nog te investeren. De datum waarop je je handtekening onder de order zet, is daarvoor van belang. Hierdoor kunnen de aftrekpercentages van de investeringsaftrek optimaal benut worden.

Teken je de order voor een nieuwe bestelauto nog dit jaar, dan telt deze order mee voor je investeringstotaal van dit jaar. Ook als de bestelauto pas volgend jaar geleverd zou worden. Wordt zo’n bestelauto volgend jaar geleverd, dan kun je de investeringsaftrek op deze auto (vastgesteld op basis van de 2019-tabel) aftrekken in de belastingaangifte van het jaar van ingebruikname. Dat wordt dan het jaar 2020. Behalve als je in 2019 alvast aanbetaalt: De investeringsaftrek mag je namelijk ook alvast in je belastingaangifte van 2019 verwerken voor zover je hebt aanbetaald.

Met een goede timing van je investeringen kun je dus optimaal profiteren van deze investeringsaftrek!

Lees verder

Teveel afwijkingen in rittenregistratie: alsnog bijtelling

Dat tegenbewijs kun je het beste leveren met een sluitende rittenregistratie. Maar wat als de registratie niet helemaal sluitend is? Uit de rechtspraak komt dan naar voren dat “een kilometeradministratie niet bij voorbaat dient te worden verworpen indien niet aan alle vereisten wordt voldaan. Een administratie in combinatie met andere bewijsmiddelen kan eveneens aanvaard worden, mits ze zodanig sluitend zijn dat daaruit eenduidig kan worden afgeleid hoeveel kilometers er met de auto’s zakelijk en privé zijn gereden”.

Dat andere bewijs is in de praktijk best lastig. Dat blijkt ook uit de jurisprudentie over naheffingsaanslagen voor de bijtelling. Er wordt dan gekeken naar het totaal van de rittenregistratie, het brandstofverbruik en vastleggingen van kilometerstanden. De vraag is dan of daaruit kan worden afgeleid dat de manier waarop de rittenregistratie is bijgehouden betrouwbaar is of niet. Uitgangspunt is namelijk wel dat de administratie steeds per rit wordt bijgehouden. Zoiets kan bijvoorbeeld ook gecontroleerd worden op basis van verschillen in brandstofverbruik. Ook eventuele kilometerstanden bij tankbeurten en onderhoudsfacturen kunnen licht werpen op de rittenregistratie.

Het blijft echter aan te raden om dagelijks de gereden ritten in de administratie te verwerken. Een geautomatiseerde rittenregistratie met een black box of app kan daar een handig hulpmiddel voor zijn. Als werkgever kun je de aansprakelijkheid voor eventuele naheffingen grotendeels uitsluiten door te werken met een verklaring geen privégebruik.

Lees verder

Prinsjesdag 2019: de plannen voor de automobilist

De bijtelling voor volledig elektrische auto’s gaat omhoog voor auto’s met een Datum Eerste Toelating vanaf 1 januari 2020. De bijtelling gaat voor deze auto’s naar 8% van de catalogusprijs voor zover die niet meer is dan € 45.000. Is de catalogusprijs wel meer dan € 45.000, dan geldt over de eerste € 45.000 een bijtelling van 8% en daarboven 22%.
Per 2021 gaat de bijtelling naar 12% over de eerste € 40.000. In 2022, 2023 en 2024 wordt het percentage 16% en in 2025 17%. Daarna geldt het standaardtarief van 22% ook voor elektrische auto’s. Er blijft een overgangsregeling van kracht waarmee het bijtellingspercentage van de Datum Eerste Toelating steeds voor 60 maanden geldt. De bijtellingsregeling wordt tussentijds steeds geëvalueerd en kan dan bijgesteld worden voor nieuwe situaties.

Voor volledig elektrische auto’s blijft tot en met 2024 de BPM-vrijstelling bestaan. Vanaf 2025 geldt voor deze auto’s alleen de vaste voet van € 360. De BPM-tarieven voor andere auto’s worden per 1 juli 2020 bijgesteld op basis van de nieuwe WLTP-testmethode voor de CO2-uitstoot.

Eerder was al geregeld dat voor taxi’s per 2020 de teruggaaf van BPM vervalt. De vrijstelling van motorrijtuigenbelasting (MRB) voor deze auto’s blijft wel bestaan. In de BPM wordt verder de toeslag voor auto’s met een compressieontsteking zo gewijzigd dat deze alleen blijft gelden voor dieselauto’s.

Voor EV’s blijft tot en met 2024 het MRB-nihiltarief bestaan. In 2025 wordt dat een kwarttarief. Voor plug-in hybrides blijft het huidige halftarief nog bestaan tot en met 2024. In 2025 wordt dat een driekwarttarief. Per 2026 gelden voor beide type auto’s de normale tarieven.

Ter financiering van de klimaatvoorstellen stijgt de dieselaccijns per 1 januari 2021 en per 1 januari 2023 met 1 eurocent. Ook wordt de MRB voor bestelauto’s van ondernemers verhoogd. Vanaf 2021 tot en met 2024 bedraagt de gemiddelde stijging 24 euro per bestelauto per jaar. In 2025 daalt de MRB op deze bestelauto’s vervolgens eenmalig met gemiddeld 24 euro per bestelauto per jaar.

Vanaf 2020 wordt voor een door de zaak ter beschikking gestelde fiets een gunstige bijtellingsregeling ingevoerd. De jaarlijkse bijtelling wordt 7% van de consumentenadviesprijs. Deze regeling voorkomt administratieve lasten omdat dan niet langer het werkelijke privégebruik bijgehouden hoeft te worden.

De Tweede Kamer bespreekt de fiscale wetsvoorstellen in de loop van dit najaar. In december volgt dan de stemming in de Eerste Kamer. In de tussentijd kunnen er nog wijzigingen optreden. Wij houden je daarover op de hoogte!

Lees verder

Nieuwe auto? Let op de bijtelling

Aannemende dat je het hele jaar een auto van de zaak hebt, is het belangrijk om je te realiseren dat de bijtelling ook uitgaat van een heel kalenderjaar. Op de auto’s die je achtereenvolgens ter beschikking gesteld hebt gekregen, krijg je dan een bijtelling voor de duur van het gebruik van de auto’s. Daarbij geldt dan de werkelijke catalogusprijs en het bijtellingstarief van die verschillende auto’s.

Rijd je bijvoorbeeld in de maanden januari tot en met september een auto van € 40.000 met een bijtellingspercentage van 22% en vanaf oktober tot en met december een auto van € 45.000 met een bijtelling van 4%, dan is je bruto bijtelling 9/12 van € 40.000 keer 22% plus 3/12 keer € 45.000 keer 4%.

Lastiger wordt het als je zou willen overstappen naar een rittenregistratie of als je daar in de loop van een jaar mee wilt stoppen. Dat kan alleen als je bij de overstap van auto ook een nieuwe werkgever (“inhoudingsplichtige” in het jargon van de loonbelasting) krijgt. Is dat niet het geval, besef je dan dat je voor de tegenbewijsregeling van de bijtelling moet aantonen dat je de (achtereenvolgende) auto(‘s) op jaarbasis voor niet meer dan 500 km privé hebt gereden. Als je je vorige of je nieuwe auto privé rijdt, zal een rittenregistratie voor de andere auto niet helpen. Het tegenbewijs geldt namelijk over het hele jaar. Met ingang van het nieuwe jaar kun je dan weer de keus maken om voor dat nieuwe jaar wel of niet privé te gaan rijden en al dan niet een rittenregistratie bij te houden.

Lees verder

Vooruitblik Prinsjesdag

De bijtelling voor volledig elektrische auto’s gaat per 2020 omhoog voor auto’s met een Datum Eerste Toelating vanaf 2020. De bijtelling gaat voor deze auto’s naar 8% van de catalogusprijs voor zover die niet meer is dan € 45.000. Is de catalogusprijs wel meer dan € 45.000, dan geldt over de eerste € 45.000 een bijtelling van 8% en daarboven 22%.

Per 1 juli 2020 wordt de BPM, de aanschafbelasting op nieuwe auto’s, berekend op basis van de nieuwe WLTP-methode voor de vaststelling van de CO2-uitstoot. Op Prinsjesdag wordt de nieuwe tabel bekend gemaakt en wordt duidelijk hoe de nieuwe tariefschijven eruit zullen zien. Voor volledig elektrische auto’s blijft naar verwachting een BPM-vrijstelling bestaan.

De aangiftemethode van de BPM op ingevoerde gebruikte auto’s wijzigt. Het kabinet wil vooral de controle op ingevoerde schadeauto’s verbeteren.

Vanaf 2020 wordt voor een door de zaak ter beschikking gestelde fiets een gunstige bijtellingsregeling ingevoerd. De jaarlijkse bijtelling wordt 7% van de consumentenadvies. Deze regeling voorkomt administratieve lasten omdat dan niet langer het werkelijke privégebruik bijgehouden hoeft te worden.

Eerder was al aangekondigd dat de vennootschapsbelastingtarieven omlaag gaan. Recente berichten lijken op uitstel van een deel van die verlaging te wijzen. Hiervoor zullen we de concrete voorstellen moeten afwachten. Een tariefsverlaging kan betekenen dat het voordelig kan zijn investeringen (bijvoorbeeld in elektrische auto’s of bestelauto’s) nog dit jaar te doen, zodat de investeringsaftrek tegen een hoger tarief afgetrokken kan worden.

Lees verder

Geen BPM-vrijstelling voor voedselbank

Situatie

In deze zaak ging het om een voedselbank die een bestelauto had aangeschaft, maar voor de BPM een naheffingsaanslag met boete had gekregen.

De voedselbank ging ervan uit dat zij door de vorm van haar organisatie een onderneming drijft. En sowieso vond zij dat zij maatschappelijk gezien in aanmerking zou moeten komen voor een vrijstelling door haar activiteiten voor minderbedeelden in de samenleving.

Rechter: wel waardering, maar geen btw-onderneming

De rechter oordeelde dat het voor de BPM-vrijstelling nodig is dat er sprake is van een bestelauto van een btw-ondernemer. Om btw-ondernemer te kunnen zijn moeten er economische activiteiten zijn waarbij een prijs of een tegenprestatie wordt bedongen.

De activiteiten van de voedselbank bestaan uit de levering van voedselpakketten. Hiervoor krijgt zij van de ontvangers geen vergoeding. Volgens de rechtbank zijn er dan geen economische activiteiten.

Dat de voedselbank voor haar prestaties wél een vergoeding ontvangt in de vorm van veel waardering, betwijfelt de rechtbank niet. Maar het oordeel van de rechtbank wordt daar niet anders door. De naheffing blijft daarom in stand.

Verlaging boete

De voedselbank had bij de naheffing ook een boete gekregen van 10% van de naheffing. Over deze boete van € 1.102 oordeelt de rechter dat alleen bij afwezigheid van alle schuld geen boete wordt opgelegd. De voedselbank stelde dat zij de bestelauto van een autobedrijf heeft gekregen en dat beiden niet wisten dat de voedselbank niet voor vrijstelling van de BPM in aanmerking kon komen. Daar had volgens de rechter dan navraag naar gedaan moeten worden. Alles overwegende acht de rechter gelet op voornoemde omstandigheden een boete van € 50 een passende boete.

Conclusie

Voor de BPM-vrijstelling op bestelauto’s is btw-ondernemerschap vereist. Btw-ondernemerschap kan zich ook voordoen bij btw-vrijgestelde organisaties. In dit geval ging het echter mis doordat er überhaupt geen economische activiteiten waren. Bij twijfel over het btw-ondernemerschap kan de belastingdienst hier uitsluitsel over geven.

Lees verder

Naheffing MRB buitenlandse auto: let op de beschikkingsmacht

Zo’n situatie kwam kortgeleden voor de rechter. De belastingdienst had een naheffing opgelegd aan een dame die voor een Duitse GmbH werkt, waarvan haar man directeur is. Normaalgesproken gebruikt zij voor haar werk altijd haar eigen Nederlandse auto. Toen zij op een bepaalde dag vanaf haar werk naar een radio-interview moest vertrekken, bleek haar auto kapot. De directie wilde dat het interview doorging en heeft haar toegestaan dat zij een auto met een Duits kenteken nam om naar het interview te gaan. Vanwege het late tijdstip is zij niet eerst teruggereden naar Duitsland, maar heeft zij de volgende ochtend de auto weer op haar werk gebracht. Dit autogebruik had zij afgestemd met haar echtgenoot en was slechts mogelijk omdat de auto op dat moment niet nodig was voor een van de managers.

Op de bewuste dag controleerde de belastingdienst haar auto, waarna een naheffing van MRB volgde. Bij binnenlands weggebruik met een buitenlandse auto door een inwoner van Nederland is in principe de ‘houder’ van de auto belastingplichtig. Wel kan bij internationale werkzaamheden en bij kortdurend Nederlands weggebruik een vrijstellingsvergunning worden verstrekt. Die was hier kennelijk niet aangevraagd.

De rechter boog zich over de vraag of naheffing van Nederlandse MRB wel terecht was. De rechter oordeelde dat het hiervoor nodig is dat zij de feitelijke beschikkingsmacht over de auto had. Zij mocht deze auto voor een vooraf specifiek omschreven doel ten behoeve van de GmbH gebruiken om een al gepland interview te kunnen laten doorgaan. Het is echter de GmbH die bepaald heeft dat en voor welk doel zij de auto mocht gebruiken. Ze kon er dus niet vrij over beschikken. Terwijl voor het uitoefenen van de feitelijke volgens de rechtbank wel nodig is dat er een bepaalde mate van beslissingsvrijheid bestaat. Die vrijheid was hier niet aan de orde. De naheffingsaanslag was volgens de rechter ten onrechte opgelegd.

Voor de praktijk is dit een belangrijk signaal dat naheffingen van MRB of BPM niet altijd terecht zijn. Het aanvragen van een vrijstelling kan echter veel narigheid voor komen. Voor langdurig gebruik is er de werknemersvrijstelling. Ook voor kortdurend gebruik van niet meer dan 14 dagen is er een vrijstelling mogelijk. Aanvragen daarvan kan via de website van de belastingdienst.

Lees verder

Zelf betaalde kosten niet aftrekbaar van de bijtelling

De vraag komt nogal eens op of kosten die de berijder zelf betaalt, afgetrokken kunnen worden van de bijtelling. Op basis van de jurisprudentie is dat niet het geval.

Zo is er bijvoorbeeld jurisprudentie over een berijder die drie maanden een auto van zijn werkgever ter beschikking had. Daarvoor betaalde hij elke maand een eigen bijdrage voor privégebruik van 50 euro. Die eigen bijdrage voor privégebruik was aftrekbaar voor de bijtelling. Tot zover geen discussie. Daarnaast moest hij blijkbaar zelf de brandstof van de auto betalen. Dat kostte hem meer dan de maandelijkse bruto bijtelling. Bij de rechter stelde deze berijder daarom dat die brandstofkosten tot maximaal het bruto bijtellingsbedrag in aftrek zouden moeten komen op de bijtelling. De rechter oordeelde echter dat dit niet mogelijk is: De wet staat aftrek van kosten die aan derden betaald zijn niet toe.
De les voor de praktijk is dat dergelijke kosten dan beter ondergebracht kunnen worden in een (hogere) eigen bijdrage voor privégebruik. Als de werknemer de kosten eerst zelf aan een derde heeft betaald, vergoedt de werkgever ze eerst. Daarna wordt op het loon een eigen bijdrage voor privégebruik ingehouden. De werknemer heeft dan het voordeel van de fiscale aftrek op de bijtelling.

Lees verder

Ook bij heel beperkt zakelijk gebruik toch auto op de zaak mogelijk

Deze vragen speelden onlangs bij de Rechtbank Noord-Nederland. Het ging om een ondernemer met een zakelijke bestelauto en een zakelijke personenauto. De discussie betrof de personenauto, omdat die vooral privé werd gebruikt en minder dan 10% zakelijk. De vraag was of deze auto dan wel op de balans van de onderneming mag staan: Is zo’n auto dan niet verplicht privévermogen?

De rechtbank keek eerst naar de jurisprudentie van de Hoge Raad: Voor de beantwoording van de vraag of een vermogensbestanddeel tot het ondernemings- of privévermogen behoort, is in het algemeen de wil van de ondernemer beslissend. De ondernemer is dus vrij in zijn keuze, maar hij moet wel binnen de grenzen van de redelijkheid blijven. In zijn algemeenheid geldt dat een vermogensbestanddeel verplicht ondernemingsvermogen is als het voor 90 % of meer zakelijk wordt gebruikt. Het vermogensbestanddeel is verplicht privévermogen als het voor minder dan 10 % zakelijk (en dus voor 90 % of meer privé) wordt gebruikt. In de tussenliggende situaties is er sprake van keuzevermogen en mag de ondernemer zijn investering privé of zakelijk boeken.

Voor auto’s is de Hoge Raad echter in de jurisprudentie afgeweken van deze 10%-grens bij deze afbakening tussen verplicht ondernemingsvermogen en keuzevermogen. Over de omgekeerde situatie, zoals zich nu voordeed, heeft de Hoge Raad nog nooit geoordeeld. Maar de rechtbank kan zich niet voorstellen dat de Hoge Raad dan wel aan de procentuele afbakening zou willen vasthouden, juist omdat de Hoge Raad verwees naar 'redenen van eenvoud' en 'vereenvoudiging'. De rechtbank gaf de ondernemer gelijk: Ook voor de vraag of de auto verplicht privévermogen of keuzevermogen is, geldt een grens van 500 km.

Als deze uitspraak ook in een eventueel hoger beroep en in cassatie in stand blijft, betekent dit dat een auto die slechts voor iets meer dan 500 km zakelijk wordt gebruikt en voor de rest privé, toch op de zaak geboekt kan worden. Weliswaar geldt voor het privégebruik dan een bijtelling. Maar daar staat tegenover dat alle kosten aftrekbaar zijn van de winst. Dat kan een voordelige optie zijn!

Lees verder

Ondernemersvrijstelling bestelauto ook voor btw-vrijgestelde ondernemers

In de praktijk levert dit nogal eens een misverstand op. Een te hoge kilometerkostprijs is het gevolg. Het misverstand doet zich vooral voor als de belastingdienst u als btw-vrijgestelde ondernemer heeft uitgeschreven voor de btw. Uw fiscale nummer is dan niet meer actief. U hoeft dan ook geen btw-aangiften meer te doen.

Op de achtergrond blijft het fiscale nummer echter wel bestaan. U blijft ook gewoon ondernemer in de zin van de btw-wetgeving. En dat laatste is belangrijk bij aanschaf of lease van een bestelauto. Voor de bpm-vrijstelling en het lage wegenbelastingtarief is namelijk vereist dat u btw-ondernemer bent en de bestelauto minimaal 10% zakelijk gebruikt. Niet vereist is dat u geen btw-vrijstelling toepast en periodiek btw afdraagt. Een btw-vrijstelling is dus geen verhindering voor deze ondernemersregelingen.

Als het fiscale nummer niet meer actief is, en daardoor de kentekenregistratie van uw bestelauto niet automatisch door de belastingdienst herkend wordt als een situatie waarop de ondernemersregelingen toegepast kunnen worden, kunt u zelf alsnog schriftelijk bij de belastingdienst verzoeken de regelingen tóch toe te passen.

Lees verder

Bij wisseling werkgever nieuwe bijtellingskeus mogelijk

Omdat de bijtelling voor privégebruik van een auto van de zaak via de loonadministratie van de werkgever loopt, hebben werknemers met zo’n auto de mogelijkheid om bij wisseling van werkgever ook te wisselen van bijtellingskeuze. Ieder van beide werkgevers is verantwoordelijk voor de loonheffingen over de periode waarin de werknemer bij dat bedrijf in dienst is. Als dat niet het hele jaar is, moet er bij gebruik van een rittenregistratie gekeken worden naar een tijdsevenredig deel van het maximale aantal privékilometers dat in zo’n geval geldt. Dat maximum is 500 km op jaarbasis.

Omdat bij de nieuwe werkgever een nieuwe periode begint, kan de werknemer ervoor kiezen om bij die nieuwe werkgever alsnog privé met bijtelling te gaan rijden als hij bij de vorige werkgever een rittenregistratie had, of andersom.

Een voorbeeld:
Stel dat iemand vanaf 1 januari tot 1 september bij werkgever A werkt. In die periode is het privégebruik 300 kilometer. Dat is minder dan 8/12 van 500 km. Er hoeft geen bijtelling bij het loon geteld te worden. Dat wordt anders als hij in deze periode bijvoorbeeld 400 km privé heeft gereden! Vanaf 1 september werkt hij bij werkgever B en rijdt hij tot het einde van het jaar 1500 km privé. Vanaf 1 september wordt er dan een bijtelling bij het loon geteld. Daarop worden loonheffingen ingehouden.

Conclusie: Wisseling van werkgever biedt mogelijkheden voor het wisselen van bijtelling naar rittenregistratie of andersom, maar let wel op het tijdsevenredige karakter van de 500 kilometergrens.

Lees verder

Kamervragen over afschaffing BPM-teruggaaf taxi

Daarom heeft de Tweede Kamer de staatssecretaris herinnerd aan de toezegging om de alternatieven te monitoren. De staatssecretaris antwoordt dat hij voor de monitoring van het aanbod contact heeft gelegd met relevante partijen waaronder het ministerie van VWS, het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, en verder onder andere met Koninklijk Nederlands Vervoer. Uit deze gesprekken kwam naar voren dat er voor taxivervoer met reguliere straattaxi’s en personenbusjes voldoende zeer zuinige en emissievrije alternatieven lijken te zijn. Het aanbod van elektrische auto’s is immers goed en neemt toe, aldus de staatssecretaris. Voor taxibusjes met rolstoelplaatsen zijn de eerste inzichten dat het aanbod van zeer zuinige of emissievrije voertuigen beperkter is maar wel aanwezig. Weliswaar zijn de aanschafkosten van deze voertuigen hoger, maar kunnen de verbruikskosten lager uitvallen door lagere onderhoudskosten en omdat elektrisch laden in de meeste gevallen goedkoper is dan rijden op benzine of diesel.

Bij de afschaffing van de BPM-teruggaaf geldt overigens een ruime overgangsregeling. Dat betekent dat teruggaaf in 2019 op een benzine- of dieselauto nog mogelijk is. Ook als de auto daarna nog 3 jaar aan de gebruikelijke voorwaarden moet voldoen dat hij voor minimaal 90% voor taxiritten wordt gebruikt.

Belangrijk is ook dat de teruggaafregeling voor rolstoelbusjes die worden gebruikt voor rolstoelvervoer van en naar zorginstellingen in groepsverband in stand blijft. Dus ook als dit benzine- of dieselbusjes betreft. Voor de toepassing van deze regeling geldt een aantal cumulatieve voorwaarden. Zo moet de auto beschikken over voorzieningen voor rolstoelen en mag het voertuig alleen worden gebruikt voor het vervoer van rolstoelgebruikers van en naar een zorginstelling. Bij deze regeling zijn geen taxi-exploitanten betrokken, maar dient de zorginstelling die in het bezit is van een rolstoelbusje zelf het teruggaafverzoek in bij de Belastingdienst.

Lees verder

Nieuwe BPM-tabel op basis van WLTP komt per 1 juli 2020

De WLTP-testmethode sluit beter aan bij de praktijkomstandigheden dan de verouderde NEDC-testmethode en biedt daarom beter inzicht in het werkelijke brandstofverbruik en de CO2-uitstoot van personenauto’s. Hoe hoger deze CO2-uitstoot van de auto, hoe hoger de BPM is. Tot nu toe wordt met een omrekenmethodiek nog het oude uitstootcijfer gebruikt voor de BPM. Dat wordt midden volgend jaar veranderd in een rechtstreekse berekening op basis van de WLTP. Daarvoor zal de tabel moeten worden gewijzigd.

Het kabinet heeft TNO gevraagd de gevolgen van de nieuwe WLTP-methode door te rekenen. TNO geeft aan dat de WLTP CO2-uitstoot gemiddeld 10% + 15 g/km hoger is dan de oude NEDC CO2-uitstoot. Deze formule kan volgens TNO worden gebruikt als basis voor een budgettair neutrale omzetting van de CO2-tarieven in de BPM. Wanneer er BPM-tarieven en CO2-schijfgrenzen worden berekend met inachtneming van de veronderstelling dat de WLTP CO2-uitstoot gemiddeld 10% + 15 g/km hoger is dan de NEDC CO2-uitstoot, zullen de gevolgen voor de totale BPM-opbrengst naar verwachting klein zijn. Gemiddeld genomen blijft de BPM dan ongeveer hetzelfde. Dit neemt niet weg dat de BPM-opbrengst hoger of lager kan worden doordat er meer of minder auto’s verkocht gaan worden, of doordat de consumentenvoorkeuren veranderen.

Dat de omgerekende uitstootwaarden die op dit moment voor de BPM-berekening gebruikt worden, op basis van de nieuwe test hoger uitpakken dan de CO2-uitstoot volgens de oude NEDC-test, komt volgens TNO overigens niet door de nieuwe test. TNO verklaart deze stijging door het toegenomen voertuiggewicht en motorvermogen. Voor dieselauto’s lijkt een deel van de verklaring ook te zijn dat autofabrikanten hun dieselmotoren min of meer gelijktijdig met de invoering van de WLTP hebben moeten aanpassen vanwege de aangescherpte Europese milieueisen met metingen op de weg, de zogenaamde RDE-test.

De nieuwe BPM-tabel gaat per 1 juli 2020. De autobranche krijgt daarmee voldoende tijd om de nieuwe BPM-wetgeving te implementeren.

Lees verder

Geen extra bijtellingskorting voor elektrische auto’s van 5 jaar en ouder

De Tweede Kamer vroeg recent om openstelling van deze regeling voor EV’s van 5 jaar en ouder. Daarmee wilde de Tweede Kamer de gebruikte elektrische auto aantrekkelijk maken voor binnenlands gebruik. Export zou zo worden voorkomen.

De staatssecretaris heeft deze mogelijkheid onderzocht. Hij concludeert dat export vooral aan de orde lijkt bij elektrische auto’s uit het duurdere segment. De goedkopere elektrische auto’s vinden doorgaans hun weg naar de particuliere markt en er is zelfs sprake van import van gebruikte goedkopere elektrische auto’s. Cijfers wijzen uit dat in de afgelopen twee jaren steeds ongeveer evenveel elektrische auto’s zijn geïmporteerd als geëxporteerd.

Het is uiteraard afhankelijk van de vraag in hoeverre van deze regeling gebruik gaat worden gemaakt en in hoeverre deze ook tot gevolg heeft dat minder nieuwe elektrische auto’s ter beschikking zullen worden gesteld, zo schrijft staatssecretaris Snel op 5 juli aan de Tweede Kamer. Als deze regeling zou aanslaan, gaat deze maatregel gepaard met substantiële budgettaire gevolgen die niet kunnen worden gedekt uit een aanscherping van youngtimerregeling voor niet-elektrische auto’s.

Hij wijst er ook op dat de grondslag van de bijtelling en het bijtellingspercentage een forfaitaire benadering zijn van het te belasten voordeel in de vorm van loon in natura. Een aanpassing kan alleen aan de orde zijn als blijkt dat deze forfaitaire benadering niet juist is.

Om de ontwikkeling van een tweedehandsmarkt voor de elektrische auto voor particulieren op gang te brengen, zal het kabinet een regeling uitwerken voor het vergoeden van laadtegoed, aanschafsubsidie of een batterijgarantie. Hiermee komt een tweedehands elektrische auto sneller in beeld voor particulieren. Volgens de staatssecretaris komt het kabinet met deze plannen tegemoet aan de wens van de Tweede Kamer om elektrische auto’s van 5 jaar en ouder te behouden voor het Nederlandse wagenpark.

Lees verder