XLLeaseFiscaliteiten

Fiscaliteiten

Eerste contouren van de nieuwe BPM-werkwijze voor gebruikte auto’s bekend

Aanpassing is volgens de staatssecretaris nodig om het toezicht op invoer van gebruikte auto’s te verbeteren. Vooral als er gebruik wordt gemaakt van een taxatierapport om de BPM-afschrijving vast te stellen, acht hij fysiek toezicht wenselijk. Het aandeel van deze auto’s in de totale jaarlijkse autohandel bedroeg in 2018 ongeveer 3% van het totaal aantal verhandelde auto’s.

De staatssecretaris schrijft aan de Tweede Kamer dat hij ook de optie heeft verkend om het hele waarderingsvraagstuk bij gebruikte voertuigen te schrappen. Omdat het hier ook om grensoverschrijdende handel gaat, kan dat op grond van Europese regels echter alleen als de BPM compleet van opzet verandert. In plaats van een eenmalige registratiebelasting zou het dan een belasting moeten worden bij elke tenaamstelling in het kentekenregister. Dus ook bij de binnenlandse handel in occasions (overschrijving in het kentekenregister) en ook bij verkoop tussen particulieren. Dat zou betekenen dat er in plaats van de huidige 600.000 nieuwe kentekenregistraties per jaar 2,5 miljoen belastbare transacties zijn.

De staatssecretaris kiest daar niet voor. In plaats daarvan wil hij het toezicht op de parallelimport versterken. Dit wil hij doen door RDW de BPM-aangifte te laten controleren bij de fysieke controle van het voertuig voor de registratie in het kentekenregister.

Als RDW dan adviseert dat er gebreken zitten in de taxatie, als de taxatie twijfels oproept of als er om een andere reden verder onderzoek nodig is, dan kan de Belastingdienst besluiten dat het voertuig moet worden aangeboden voor een hertaxatie. De auto moet dan naar een keuringslocatie van de Dienst Roerende Zaken en het zogenaamde ‘fiscaal akkoord’ voor de kentekeninschrijving wordt dan opgeschort totdat het voertuig is aangeboden voor deze hertaxatie. De importeur gaat de kosten voor deze hertaxatie dragen.

De plannen zijn nog niet definitief. De belastingdienst, DRZ en RDW werken dit in het tweede kwartaal van dit jaar verder uit. Later dit jaar volgt dan een wetsvoorstel.

Lees verder

Doorschuifregeling voorkomt BPM-heffing bij inruil

Bij aanschaf van een nieuwe bestelauto hebben ondernemers recht op een vrijstelling van BPM. Als de gebruikte bestelauto binnen 5 jaar na eerste kentekenregistratie wordt verkocht, moet je in principe rest-BPM afdragen.

Maar als de nieuwe eigenaar ook een ondernemer is, kan de vrijstelling overgaan op de nieuwe eigenaar. Daarvoor kun je bij de wijziging van de tenaamstelling van de bestelauto een beroep doen op de zogenaamde doorschuifregeling. De koper neemt dan voor de BPM op deze auto de plaats in van de verkoper. De nieuwe eigenaar moet binnen de termijn van 5 jaar blijven voldoen aan de voorwaarden voor de vrijstelling: namelijk dat hij een btw-ondernemer is en de bestelauto voor minimaal 10% zakelijk gebruikt binnen zijn onderneming.

Om de doorschuifregeling te kunnen toepassen moet in de administratie van de verkopende ondernemer een verklaring van beide partijen zijn opgenomen waarin zij verklaren dat de koper voor de BPM op de betreffende bestelauto in de plaats is getreden van de verkoper.

Doe je geen beroep op de doorschuifregeling, dan ben je als verkoper rest-BPM verschuldigd. De nieuwe eigenaar kan – ook als hij ondernemer is – die BPM dan helaas niet terugvragen. De doorschuifregeling voorkomt die BPM-heffing.

Tip: Hoewel de doorschuifverklaring vormvrij is, weet je zeker dat je alle gegevens hebt als je het formulier gebruikt dat je kunt downloaden van de website belastingdienst.nl.

Lees verder

Coronacrisis en reiskostenvergoedingen

Veel werkgevers vergoeden woon-werkverkeer met een eigen vervoermiddel van de medewerker via een vast bedrag per maand. Dat is wel zo praktisch, omdat je dan niet hoeft bij te houden hoe veel dagen iemand naar zijn of haar werk is gereden. Fiscaal is het uitgangspunt voor een onbelaste reiskostenvergoeding wel een vergoeding per kilometer. Tot 19 eurocent per kilometer is zo’n vergoeding onbelast. Toch is een vaste reiskostenvergoeding fiscaal ook toegestaan als de woon-werkafstand niet meer is dan 75 kilometer. Bij een woon-werkafstand vanaf 75 km enkele reis moet altijd wel nacalculatie plaatsvinden.

Voor het vaststellen van zo’n vaste vergoeding mag je bij een full time dienstverband uitgaan van 214 dagen per jaar. Er is bij dat aantal uitgegaan van het reguliere aantal werkdagen per jaar verminderd met het gemiddeld aantal dagen van kortdurende afwezigheid door vakantie, verlof en ziekte. Dat aantal vermenigvuldig je dan met de totale reisafstand heen en terug. De uitkomst verdeel je over het aantal maanden of weken.

Eis hierbij is wel dat de medewerker “op jaarbasis doorgaans naar een vaste arbeidsplaats reist”. Dat is het geval als hij of zij op jaarbasis vermoedelijk ten minste 36 weken (70% x 52 weken) naar het werk reist. Door de huidige coronacrisis is dat niet direct anders.

Kortdurende afwezigheid is al verwerkt in het aantal van 214 werkdagen. Van kortdurende afwezigheid is volgens het betreffende beleidsbesluit van de staatssecretaris van Financiën sprake “als in redelijkheid een afwezigheid van maximaal zes aaneensluitende weken is te verwachten”. Als de werkgever de reiskostenvergoeding in die periode doorbetaalt, blijft dat onbelast.

Verder staat in die regeling: “Op het moment dat een langdurige afwezigheid in redelijkheid is te voorzien, mag de vaste reiskostenvergoeding de lopende en de eerstvolgende kalendermaand nog onbelast worden uitbetaald. Daarna is een vaste onbelaste reiskostenvergoeding pas weer toegestaan per de eerste van de maand volgende op de maand van herstel”. Deze tekst is vooral geënt op ziekte van de werknemer zelf en niet zozeer op preventief thuis werken. Gaat de huidige thuiswerkperiode langer duren, dan valt te verwachten dat de regeling op dit punt wordt verduidelijkt of aangepast.

Heeft de medewerker een auto van de zaak die hij of zij ook privé gebruikt, dan geldt voor die auto de forfaitaire bijtelling. Die blijft in principe ook doorlopen als je niet naar je werk gaat. Het forfait van 22% van de catalogusprijs kan hoger worden bij ‘excessief privégebruik’. Ook al gebruik je de auto op dit moment misschien niet of nauwelijks voor woon-werkverkeer of zakelijke ritten, het lijkt niet aannemelijk dat dit dan als excessief privégebruik aangemerkt kan worden.

Lees verder

Fiscale maatregelen coronavirus (update 19 maart 2020)

Om ervoor te zorgen dat ondernemers liquiditeitsproblemen het hoofd kunnen bieden, is er de mogelijkheid tot het verzoek om bijzonder uitstel van betaling in de inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, omzetbelasting en loonbelasting.

De Belastingdienst zal 3 maanden uitstel van betaling verlenen als je daar als ondernemer om vraagt. Zodra het verzoek om uitstel bij de Belastingdienst binnen is, zet de Belastingdienst de invordering stil. De eerder aangekondigde verklaring van een ‘derde deskundige’ dat je door de coronacrisis in de problemen bent gekomen is voor deze 3 maanden uitstel niet meer nodig.

De rente die je aan de belastingdienst moet betalen over het bedrag waarvoor je uitstel krijgt, wordt zo spoedig mogelijk verlaagd naar 0,01% op jaarbasis. Ook de zogenaamde belastingrente op aanslagen over verstreken tijdvakken gaat per 1 juni naar 0,01%. Voor de inkomstenbelasting wordt die datum om uitvoeringstechnische redenen 1 juli 2020.

Om ondernemers tegemoet te komen zal de Belastingdienst de komende tijd een verzuimboete voor het niet (tijdig) betalen achterwege laten of terugdraaien.

Daarnaast betaal je als ondernemer vaak belasting op basis van een voorlopige aanslag inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting. Verwacht je een lagere winst door de coronacrisis, dan kun je een verzoek indienen voor een verlaging van de voorlopige aanslag, zodat je meteen minder belasting gaat betalen. Deze verzoeken zullen door de Belastingdienst worden ingewilligd. Het kan ook zo zijn dat het bedrag van de nieuwe voorlopige aanslag lager is dan de belasting die je in de eerste maanden van dit jaar al hebt betaald. In dat geval krijg je het verschil uitbetaald.

Naast deze fiscale maatregelen zijn er ook maatregelen m.b.t. loonbetalingen, financiering en uitkeringen. Deze vind je op https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/coronavirus-covid-19

Lees verder

Meer nieuws over de subsidie voor de particuliere elektrische auto

De regeling wordt naar verwachting in mei of begin juni definitief vastgesteld. Elektrische auto’s die vanaf dat moment gekocht of privé geleast worden, komen in aanmerking voor de subsidie. Die kan dan vanaf 1 juli aangevraagd worden bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).

Zoals eerder al uitlekte, is het subsidiebedrag voor 2020 € 4.000 voor een nieuwe personenauto en € 2.000 voor een gebruikte elektrische auto.

De regeling is bedoeld om elektrisch rijden voor particulieren in een nieuwe of gebruikte middenklassenauto te stimuleren. Daarom komen alleen nulemissieauto’s met een cataloguswaarde tussen de € 12.000 en € 45.000 in aanmerking. Daarnaast is de minimale actieradius 120 kilometer. Hybride of plug-in hybride auto’s zijn uitgesloten van de regeling.

Na aanschaf van de auto of het begin van de lease moet de auto een paar jaar in Nederland bij dezelfde eigenaar blijven. Bij koop is de minimale bezitsduur 3 jaar, bij lease geldt een duur van 4 jaar. Als je het leasecontract binnen vier jaar beëindigt, stopt ook de subsidie, die in maandelijkse termijnen wordt uitbetaald.

Om misbruik te voorkomen krijg je de subsidie alleen bij aankoop via een autobedrijf met een officiële voorraaderkenning of bij een leasecontract met een Keurmerk Private Lease van de Stichting Keurmerk Private Lease. Een particulier kan ook slechts één keer subsidie aanvragen. Omdat elektrische auto’s naar verwachting een steeds lagere aanschafprijs hebben, loopt het subsidiebedrag de komende jaren voor nieuwe auto’s terug (2022: € 3.700, 2023: € 3.350, 2024: € 2.950, 2025: € 2.550). Voor gebruikte auto’s blijft het € 2000.

Mochten er de komende tijd nog wijzigingen in de regeling optreden, dan houden wij je vanzelfsprekend via deze website op de hoogte.

Lees verder

Bij ziekte toch bijtelling voor je zakelijke auto?

Over die vragen zijn er voorbeelden in de jurisprudentie van de belastingrechter. Zo is er een zaak waarin een werknemer door een herseninfarct lichamelijke klachten had, zoals duizeligheid. Hij wilde geen risico nemen en reed daarom niet meer met de auto. Zijn rijbewijs was nog wel gewoon geldig. Een rittenregistratie had hij in geen van de volgende jaren bijgehouden, zodat de belastingdienst een naheffing oplegde voor de bijtelling over vier jaren.

De rechter oordeelde dat het bij deze medische situatie voor de hand had gelegen dat het CBR een onderzoek had gedaan, wat niet was gebeurd. Maar bovendien sluit ziekte niet uit dat anderen, bijvoorbeeld gezinsleden, de auto van de zaak hebben gebruikt voor privéritten.

Dat er ook nog twee privéauto’s waren, levert ook onvoldoende bewijs op dat de zakelijke auto niet voor privéritten is gebruikt. Daarnaast vond de rechter het opmerkelijk dat deze berijder nadat hij het herseninfarct had gehad, nog wel een nieuwe, behoorlijk duurdere auto van de zaak ter beschikking had gekregen.

In deze situatie oordeelde de rechter dat niet was aangetoond dat de auto voor niet meer dan 500 kilometer op kalenderjaarbasis voor privédoeleinden was gebruikt. Het advies in zulke situaties is dan ook om een sluitende rittenregistratie bij te houden, als de auto tijdens ziekte ter beschikking gesteld blijft.

Lees verder

Nieuwe uitspraken over BPM bij invoer

De BPM bij invoer is een ingewikkeld thema. Dat komt vooral doordat er Europeesrechtelijke kanten aan zitten. De Nederlandse BPM mag op grond van het Europese vrije handelsverkeer bij invoer namelijk niet hoger zijn dan het restant aan BPM dat nog rust op een vergelijkbare binnenlandse auto. Anders zou de BPM handelsbelemmerend kunnen werken. De BPM op een invoerauto kan berekend worden met een afschrijvingstabel, met een koerslijst of met een taxatierapport. Dat laatste kan overigens alleen bij echte schadeauto’s.

In twee nieuwe arresten oordeelt de Hoge Raad over twee vraagstukken die met deze BPM-berekening samenhangen. De eerste vraag is of de belastingdienst mag eisen dat een ingevoerde schadeauto voor controle naar de Dienst Domeinen in Soesterberg, Bleiswijk of Hoogeveen gebracht wordt. De Hoge Raad oordeelt dat die eis inderdaad gesteld mag worden. Wat overigens niet betekent dat de bewijslast omgekeerd wordt als er geen gehoor gegeven wordt aan de oproep. De rechter zal dan zelf moeten oordelen over het taxatierapport.

In de tweede zaak ging het om de BPM-berekening met gebruik van een koerslijst. In die zaak had iemand een koerslijst gebruikt waarop nét de ingevoerde uitvoering niet stond. Hij had daarom een andere uitvoering gekozen als basis. De inspecteur wilde een andere koerslijst gebruiken, waarop de exacte uitvoering van de betreffende auto wél stond. De Hoge Raad oordeelde dat het dan inderdaad terecht is dat er een naheffing volgt op basis van die andere koerslijst. Daarmee wordt dan het beste aangesloten bij de BPM die al rust op binnenlandse vergelijkbare auto’s.

Lees verder

Staatssecretaris: fiscale stimulering emissievrije auto’s is een investering

De Tweede Kamer vroeg de staatssecretaris of hij het eens is met de conclusie van de Algemene Rekenkamer dat de kosten per vermeden ton CO2 op een bedrag van € 1700 uitkomen.

Dat bedrag is berekend door het budgettaire belang van de fiscale stimulering van de in 2018 verkochte elektrische auto’s te delen door de CO2-reductie die met deze elektrische auto’s wordt bereikt. De Algemene Rekenkamer hanteert dit als graadmeter voor de kosteneffectiviteit van beleid, al geeft zij wel aan dat dit bedrag door gebruik te maken van andere aannames en gegevens zowel hoger als lager uit kan vallen.

Het kabinet is echter van mening dat de berekening van de Algemene Rekenkamer de kosten en effecten van beleid slechts zeer beperkt in beeld brengt en daarom niet als uitgangspunt voor beleid kan dienen. Deze benadering houdt namelijk geen rekening met gedragseffecten.

Als in de autobelastingen aan de ‘fiscale knoppen wordt gedraaid’, volgen er namelijk tal van verschuivingen in de verkoop van nieuwe auto’s, het wagenpark, tank- en laadgedrag. En als gevolg daarvan treden er verschuivingen op in de belastingopbrengsten en het aantal bespaarde tonnen CO2. Bovendien ontstaat volgens de staatssecretaris door de benadering van de Algemene Rekenkamer een eenzijdige focus op CO2, terwijl emissievrije auto’s ook andere waardevolle voordelen voor de Nederlandse maatschappij met zich meebrengen.

Bij die voordelen kun je denken aan verbetering van de luchtkwaliteit, vermindering van geluidsoverlast en verminderde afhankelijkheid van fossiele brandstoffen. En bovendien aan innovatiekansen voor Nederlandse bedrijven die investeren in de ontwikkeling van emissievrije technieken. Het Kabinet ziet de fiscale stimulering van emissievrije auto’s dan ook als een initiële investering in de transitie naar emissievrij rijden.

Lees verder

Aanschafsubsidie elektrische auto vanaf 1 juli 2020

Voor nieuwe elektrische auto’s gaat de subsidie gelden tot een aanschafprijs van 45.000 euro. Daarmee sluit de regeling aan op het plafond van de bijtellingskorting: De bijtelling van 8% wordt ook berekend over een catalogusprijs van maximaal € 45.000. Over het eventuele meerdere geldt een bijtelling van 22%. Belangrijk verschil is overigens wel dat het bij de subsidie waarschijnlijk zo zal zijn dat er bij een aanschafprijs boven € 45.000 geen subsidie wordt verstrekt.

Voor tweedehands elektrische auto’s gaat naar verwachting een subsidiebedrag van € 2.000 gelden. Daarbij geldt de eis dat de auto bij een autobedrijf wordt gekocht.

De subsidie is bedoeld om de aanschaf van een elektrische auto door particulieren aantrekkelijker te maken. In het Klimaatakkoord van vorig jaar was deze subsidie daarom ook al als maatregel meegenomen. Naast de subsidie profiteren particuliere kopers net als ondernemers ook van de MRB- en BPM-vrijstelling.

De subsidie zal de komende jaren worden afgebouwd als de aantallen elektrische auto’s toenemen. De exacte regels van de subsidie moeten nog worden vastgesteld. De bedragen kunnen ook nog veranderen. Daar komt later dit voorjaar meer duidelijkheid over. Ook zal er waarschijnlijk voorafgaand aan de invoering nog een internetconsultatie plaatsvinden. Wij houden je op de hoogte!

Lees verder

Bij toepassing KOR is inruilauto een margeauto

Tot en met 2019 kregen kleine ondernemers een korting op de af te dragen btw. Vanaf 2020 is die regeling omgezet in een btw-vrijstelling voor – kort samengevat – ondernemers met een omzet die niet hoger is dan 20.000 euro per jaar.

Een btw-vrijstelling heeft voor ondernemers echter niet alleen voordelen. Vanzelfsprekend is het fijn dat je als ondernemer geen btw hoeft te berekenen op de prijzen die je vraagt. Maar effectief heeft dat vooral nut als je afnemers particulieren zijn. Klanten die zelf ondernemer zijn, kunnen immers de btw zelf meestal ook weer aftrekken op hun eigen btw-aangifte. Gevolg van de nieuwe kleine-ondernemersregeling (KOR) is echter wel dat je bij een btw-vrijstelling ook geen btw kunt aftrekken op je eigen inkopen.

Koop je een auto waarop je door de nieuwe KOR geen btw kunt aftrekken, dan hoef je op die auto bij de latere inruil ook geen btw te berekenen. Voor het autobedrijf dat die auto inruilt, is die auto dan een zogenaamde ‘margeauto’. Het autobedrijf draagt dan bij verkoop alleen btw af over de marge.

Het kan natuurlijk ook zo zijn dat je als ondernemer de nieuwe KOR toepast en vóór 2020 al een auto mét btw-aftrek hebt gekocht. Afhankelijk van de leeftijd van de auto en het btw-bedrag heb je dan eind 2019 nog btw moeten afdragen op de auto. Vanaf 2020 is de auto btw-vrij. Bij inruil hoef je geen btw meer te berekenen en de inruilprijs telt niet meer voor je omzetgrens van 20.000 euro. Voor het autobedrijf is zo’n auto dan een margeauto.

Lees verder

Let op als je je zakelijke auto ook voor ander werk gebruikt

Of kun je de auto die door de ene werkgever aan je ter beschikking is gesteld ook voor een andere baan gebruiken en beide soorten ritten als zakelijk aanmerken? Die vragen zijn cruciaal als je de bijtelling voor privégebruik met een rittenregistratie zou willen voorkomen maar toch voor beide soorten werk met dezelfde auto wilt rijden.

Uit de rechtspraak volgt dat je met deze combinaties de bijtelling inderdaad niet voorkomt als je verder niets regelt. In die zaak ging het om een ondernemer die naast haar eigen onderneming ook een baan in loondienst had. De auto die op de balans van haar eigen onderneming stond, gebruikte zij ook voor het woon-werkverkeer naar dat andere bedrijf.

Omdat woon-werkverkeer voor de bijtelling als zakelijke rit wordt gezien, vond deze ondernemer dat zij met een sluitende rittenregistratie de bijtelling kon voorkomen. De rechter ging daar niet in mee: Er is hier namelijk geen sprake van woon-werkverkeer met een auto van die andere werkgever, maar met een auto uit de eigen onderneming. In een eerder arrest heeft de Hoge Raad daarover geoordeeld dat zulke kilometers dan als privégebruik moeten worden gezien, tenzij er een vergoeding voor de kosten van dat gebruik in de winst is opgenomen of het loon uit de dienstbetrekking deel uitmaakt van de winst van de onderneming. Beide was hier niet het geval. Hoewel het in dat geval maar om een relatief beperkt aantal kilometers ging, betekent dat dan toch een bijtelling over het hele jaar als het totale privégebruik meer is dan 500 km op jaarbasis.

Een oplossing voor de in deze situatie ongewenste bijtelling kan liggen in het verwerken in de winst als je ondernemer bent, of in het door de twee werkgevers samen ter beschikking laten stellen van de auto als je werknemer bent.

Lees verder

Geen naheffing door uitzondering voor wisselend gebruik

De situatie was als volgt: Bij een aannemersbedrijf zijn in de periode van een belastingcontrole drie bestelauto’s in gebruik, waarvoor de eindheffing voor ‘doorlopend afwisselend gebruik’ is toegepast. Deze bestelauto’s hebben een enkele cabine en worden gebruikt voor het vervoer van de werknemers en materiaal naar de plaats van de werkzaamheden. De bestelauto’s worden meestal gebruikt door een vast tweetal werknemers met wie het bedrijf gebruikersovereenkomsten heeft gesloten. Daarin staat onder andere: “De auto wordt aan de werknemer ter beschikking gesteld voor het uitoefenen van zijn/haar functie (zakelijk gebruik). De werknemer is echter vrij de auto eveneens voor privé doeleinden te gebruiken (bijvoorbeeld tijdens vrije dagen en vakanties), echter niet meer dan 500 km per kalenderjaar, tenzij werknemer bijtelling betaalt”. Een rittenregistratie is niet bijgehouden.

In de praktijk is het gebruik zo dat een koppel van twee collega’s diverse klusadressen per dag bezoeken. Degene van het koppel die de bestelauto naar het klusadres rijdt en weer terug of naar een andere klus kan wisselen per rit en per dag. Het bedrijf heeft met de werknemers afgesproken dat in principe degene die het verst weg woont van het klusadres de bestelauto ’s avonds mee naar huis neemt en de volgende dag de ander ophaalt. Soms rijdt een andere werknemer in plaats van een van de werknemers van het vaste koppel mee. Bij vakantie van een van de twee rijdt in principe de andere werknemer in de auto, al dan niet samen met een andere collega.

De rechter oordeelt hierover in hoger beroep: In feite heeft belanghebbende gelijktijdig één auto ter beschikking gesteld aan twee werknemers, “waarbij niet is na te gaan wie, wanneer, gedurende welke rit met welk doel, naar of van werk, privé of zakelijk, de auto bestuurt en gebruikt”. Verder komt het voor dat een andere werknemer, niet behorende tot het vaste tweetal de bestelauto bestuurt of meerijdt.

Er kan volgens het Gerechtshof dan niet één werknemer worden aangewezen aan wie de auto ter beschikking is gesteld en voor wie door middel van het bijhouden van een rittenadministratie de werkgever zou kunnen bewijzen dat deze niet meer dan 500 kilometer in privé heeft gereden. Verder kan niet van beide werknemers worden nageheven voor van het privégebruik van dezelfde bestelauto omdat niet kan worden bepaald gedurende welk deel van een heffingstijdvak wie de beschikking en de mogelijkheid tot privégebruik heeft. Daar komt bij dat met regelmaat ook nog een derde gebruik maakt van de auto.

Toepassing van de eindheffing van € 300 voor doorlopend wisselend gebruik is in dit geval in overeenstemming met het doel en strekking van de wet: namelijk om een praktische regeling te geven voor dit soort gevallen. De naheffing ging dan ook van tafel.

Lees verder

Praktische tips voor de btw-heffing over het privégebruik

Het vaste percentage kun je gebruiken als je niet voldoende gegevens over het werkelijke gebruik hebt. Maar heb je die gegevens wel, dan kun je daarmee misschien een voordeliger uitkomst krijgen. De werkelijke kilometerverhoudingen van het privégebruik ten opzichte van het totale aantal gereden kilometers in het kalenderjaar kun je dan namelijk gebruiken voor de berekening van de btw over het privégebruik: Dat percentage vermenigvuldig je met de btw op de autokosten. Daarbij moet je in de eerste 5 jaar ook 1/5 van de btw op de aanschaf meenemen.

Pas je het forfait wel toe, dan kun je vanaf het vijfde jaar na het jaar van de aanschaf een lager forfait toepassen. Dat is dan 1,5% in plaats van de standaard 2,7%.

Met het bijhouden van de kilometers kun je voor auto’s die relatief weinig privé gebruikt worden voor de btw tot een lagere heffing over het privégebruik krijgen. Wel moet je daarbij bedenken dat het woon-werkverkeer voor de btw als privégebruik wordt gezien. Voor de bijtelling is het woon-werkverkeer zakelijk. Deze regeling betekent ook dat bestelauto’s die niet privé maar wel voor woon-werkverkeer gebruikt worden en dus geen loonbelastingbijtelling hebben, wel met de btw-correctie te maken hebben. Maar ook dan kan gebruik van de werkelijke kilometerverhoudingen een mooi fiscaal voordeel opleveren.

Lees verder

Kamerleden willen tijdig onderzoek naar WLTP en BPM

De Tweede en Eerste Kamer namen afgelopen najaar het wetsvoorstel aan waarmee per 1 juli 2020 een nieuwe BPM-tabel gaat gelden. In die nieuwe tabel worden de BPM-tarieven afhankelijk van de CO2-uitstoot volgens de WLTP-testmethode.

De toenmalige staatssecretaris beloofde destijds dat deze omzetting budgetneutraal zou verlopen. RAI Vereniging en BOVAG stelden echter op basis van een onderzoek van KPMG dat er na de wijziging structureel zo’n 200 miljoen euro teveel aan BPM in de schatkist vloeit, bovenop de ruim 600 miljoen BPM die tot en met juni al extra binnenkomt. Staatssecretaris Snel stelde daartegenover dat een lastige factor bij het onderzoeken van een mogelijk effect van de nieuwe WLTP-testmethode is dat er rondom auto’s en CO2-uitstoot regelmatig veranderingen plaatsvinden die niet per definitie een gevolg zijn van de invoering van de nieuwe WLTP-test. Volgens hem blijkt uit onderzoek van TNO dat het overgrote deel van de nieuwe auto’s zwaarder en krachtiger is geworden ten tijde van de Europese invoering van de WLTP.

Bijkomend complicerend punt is dat er in de periode vanaf de invoering van de WLTP tot aan 1 juli 2020 nog gerekend wordt met een BPM-tabel op basis van NEDC-waarden, waarbij de WLTP-waarde wordt omgerekend naar een NEDC-waarde. De BPM-tarieven per 1 juli zijn volgens Snel zo vormgegeven dat de totale bpm-opbrengst vanaf 1 juli gelijk blijft ten opzichte van de bpm-tabel die geldt per 1 januari 2020. KPMG kijkt voor een budgettair neutrale omrekening naar het jaar 2018, dus naar de situatie voorafgaand aan de invoering van de WLTP en de tijdelijke omrekening van NEDC-waarden.

De Tweede Kamer heeft weliswaar de nieuwe WLTP-tabel per 1 juli 2020 al aangenomen, maar heeft daarbij wel een motie aangenomen waarin gevraagd is om onafhankelijk te laten toetsen of beide omzettingen wel budgettair neutraal zijn gegaan en waarin gevraagd is de Kamer hierover voor de zomer van 2020 te informeren.

Volgens de planning van het Ministerie van Financiën volgt dit onderzoek echter pas in juli 2020. De beide indieners van de motie laten het daar niet bij zitten en hebben nu aangedrongen op een reactie vóór 1 juni 2020, omdat de nieuwe tabel al per 1 juli ingaat.

Ook vragen zij de ministers om aan te geven wie het onderzoek gaat uitvoeren, wat de exacte onderzoeksopdracht is en hoe de onafhankelijkheid van het onderzoek gewaarborgd is. De ministers zullen hierop in principe binnen 3 weken antwoorden. Wij houden u op de hoogte!

Lees verder

Milieu-investeringsaftrek voor je nieuwe elektrische auto in 2020

De milieulijst regelt welke investeringen in aanmerking komen voor milieu-investeringsaftrek (MIA) en eventueel voor willekeurige afschrijving (VAMIL).

Personenauto’s

De elektrische auto komt ook in 2020 weer in aanmerking voor MIA. De MIA bedraagt dan 13,5% over een maximale investering van € 40.000.

Auto’s met elektrische aandrijving die voorzien zijn van zonnepanelen met een vermogen van minimaal 1 kilowattpiek krijgen in 2020 36% MIA. Het bedrijfsmiddel komt voor ten hoogste € 75.000 van het investeringsbedrag in aanmerking voor milieu-investeringsaftrek.

Ook voor de waterstofpersonenauto geldt een MIA van 36% over maximaal € 75.000. Op deze auto geldt voor 75% van de investering ook de VAMIL-afschrijving.

Bestelauto’s

MIA is er ook voor de volledig elektrische bestelauto uit de N1- of N2-categorie. De MIA is dan 36% over maximaal € 75.000 c.q. maximaal € 125.000 als het een waterstofbestelauto betreft. Willekeurige afschrijving op deze bestelauto’s is – in tegenstelling tot de Milieulijst 2019 – niet meer mogelijk. Op een bakwagenchassis of trekker die behoort tot de Europese voertuigcategorie N2 of N3 geldt naast 36% MIA op een volledig elektrisch voertuig nog wel een willekeurige afschrijving voor 75% van de investering. Bij plug-in hybrides is de MIA is dat geval 27%.

Taxi’s

Elektrisch aangedreven taxi’s waarvoor in het kentekenregister de vermelding ‘taxi’ is opgenomen, niet zijnde een taxi voor rolstoelvervoer of met 9 zitplaatsen, krijgen 27% MIA over maximaal € 40.000. Is de taxi voorzien van 9 zitplaatsen of een inrichting voor het vervoer van rolstoelgebruikers in hun rolstoel die voldoet aan de Code Veilig Vervoer Rolstoelgebruikers (VVR), dan geldt een MIA van 36% over maximaal € 75.000 (€ 125.000 in geval van waterstof).

Fietsen

Investeer je in een elektrische bakfiets of fietstaxi die bestemd is voor het bedrijfsmatig vervoeren van personen of goederen over de openbare weg of op bedrijfsterreinen, waarbij de aanschaf per bakfiets of fietstaxi ten minste €3.000 bedraagt, dan kun je 36% MIA claimen en de investering voor 75% willekeurig afschrijven.

13,5% MIA over de helft van de investering is er voor elektrische bromfietsen en snorfietsen met een lithiumhoudende accu. Deze brom- en snorfietsen mogen voor 75% ook willekeurig afgeschreven worden. Speed pedelecs vallen hier ook onder.

Laadpunten

Oplaadpunten voor elektrische voertuigen komen onder voorwaarden bij afzonderlijke melding (met een ondergrens van € 2.500) in aanmerking voor 36% MIA over maximaal € 2.500. Melding kan ook samen met de elektrische auto. De laadpaal krijgt dan het MIA-percentage dat ook voor de auto geldt, en telt ook mee voor het maximale investeringsbedrag.

Tot slot

De MIA geldt - anders dan de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek - ook bij operational lease. De leasemaatschappij doet dan zelf de aanvraag.
Denk voor deze regelingen aan tijdige melding via het e-loket van RVO. Dat moet met eHerkenning binnen 3 maanden na het aangaan van de verplichtingen.

Lees verder