XLLeaseFiscaliteiten

Fiscaliteiten

Tweede Kamer neemt fiscaal pakket Belastingplan 2020 en Klimaatakkoord aan

De bijtelling voor volledig elektrische auto's gaat omhoog voor auto’s met een Datum Eerste Toelating vanaf 1 januari 2020. De bijtelling hiervoor wordt 8% van de catalogusprijs voor zover die niet meer is dan € 45.000. Voor waterstofauto's geldt de 8% bijtelling over de hele catalogusprijs.

Per 2021 gaat de bijtelling naar 12% over de eerste € 40.000. In 2022, 2023 en 2024 wordt het percentage 16% en in 2025 17%. Daarna geldt het standaardtarief van 22% ook voor elektrische auto’s. Er blijft een overgangsregeling van kracht waarmee het bijtellingspercentage van de Datum Eerste Toelating steeds voor 60 maanden geldt. De bijtellingsregeling wordt tussentijds steeds geëvalueerd.

Volledig elektrische auto’s houden tot en met 2024 een BPM-vrijstelling. Vanaf 2025 geldt voor deze auto’s alleen de vaste voet van ongeveer € 360. De BPM-tarieven voor andere auto’s worden per 1 juli 2020 bijgesteld op basis van de nieuwe WLTP-testmethode voor de CO2-uitstoot. De staatssecretaris van Financiën heeft in het recente KPMG-rapport geen aanleiding voor aanpassing van de nieuwe tabel gezien. De Tweede Kamer wil er overigens nog wel een nieuw onderzoek naar laten doen.
In de BPM wordt verder de toeslag voor auto’s met een compressieontsteking zo gewijzigd dat deze alleen blijft gelden voor dieselauto’s.

Voor EV’s blijft tot en met 2024 het MRB-nihiltarief bestaan. In 2025 wordt dat een kwarttarief. Voor plug-in hybrides blijft het huidige halftarief nog bestaan tot en met 2024. In 2025 wordt dat een driekwarttarief. Per 2026 gelden voor beide type auto’s de normale wegenbelastingtarieven.

Ter financiering van de klimaatvoorstellen stijgt de dieselaccijns per 1 januari 2021 en per 1 januari 2023 met 1 eurocent. Daarnaast komt er per 2021 een aanpassing in het MRB-tarief voor bestelauto’s van ondernemers.

Tot slot heeft de Tweede Kamer een motie aangenomen om een onderzoek te laten doen naar de mogelijkheden om de reiskostenvergoeding te moderniseren.

De Eerste Kamer stemt in december over de fiscale wetsvoorstellen in de loop van dit najaar. Wij houden je op de hoogte!

Lees verder

Bij huis parkeren met groene platen niet toegestaan

Een belangrijke voorwaarde is te lezen in artikel 44 lid 4 van het kentekenreglement: “Een handelaarskenteken mag uitsluitend worden gebruikt indien met het voertuig als bedoeld in het tweede en derde lid gebruik van de weg wordt gemaakt in het kader van bedrijfsactiviteiten van het erkende bedrijf of de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie het handelaarskenteken is opgegeven”.

Bij een autobedrijf uit een procedure was door de belastingdienst geconstateerd dat een auto met handelaarskenteken voor woon-werkverkeer gebruikt was. Een naheffing van motorrijtuigenbelasting (met 100% boete) volgde. Het autobedrijf stelde dat er sprake was van gebruik de weg met het handelaarskenteken in het kader van haar bedrijfsactiviteiten. In het bezwaarschrift werd aangevoerd dat een werknemer met de auto waarop het handelaarskenteken was aangebracht naar zijn huisadres is gereden bij wijze van testrit na een reparatie. Daar heeft de werknemer de auto geparkeerd, om er de volgende dag mee terug naar het adres van het autobedrijf te rijden.

De belastingdienst was van mening dat daarmee niet voldaan wordt aan de eis van gebruik voor bedrijfsactiviteiten. Volgens de rechtbank eindigde het gebruik van de weg in het kader van de bedrijfsactiviteiten in elk geval zodra haar werknemer de auto bij zijn huisadres parkeerde. Op dat moment was er volgens de rechtbank geen sprake meer van een proefrit. Het weggebruik in de zin van de motorrijtuigenbelasting duurde echter nog wel voort. Zowel de naheffing van 425 euro als de boete van 100% bleven in stand.

Lees verder

Kamerbehandeling BPM-aanpassing door WLTP leidt nog niet tot wijzigingen

Uit het KPMG-onderzoek blijkt dat er vanaf volgend jaar structureel zo’n 200 miljoen euro te veel aan BPM in de schatkist vloeit, bovenop de ruim 600 miljoen BPM die tot en met juni al extra binnenkomt. Oorzaak is volgens RAI Vereniging en BOVAG de overgang naar de WLTP-emissietest voor nieuwe personenauto’s.

Inmiddels is in de Tweede Kamer het debat over het Belastingplan voor 2020 in volle gang. Daar is het KPMG-rapport ook in meegenomen. Kamerleden bevroegen staatssecretaris Snel van Financiën op het KPMG-rapport.

Staatssecretaris Snel stelt in antwoorden aan de Tweede Kamer dat een lastige factor bij het onderzoeken van een mogelijk effect van de nieuwe WLTP-testmethode is dat er rondom auto’s en CO2-uitstoot regelmatig veranderingen plaatsvinden die niet per definitie een gevolg zijn van de invoering van de nieuwe WLTP-test. In de ideale onderzoekswereld zouden volgens hem alle auto’s op het moment van de invoering van de WLTP hetzelfde zijn gebleven. Dan zou geïsoleerd onderzocht kunnen worden wat het gevolg is van de nieuwe WLTP-test.

Uit het onderzoek van TNO blijkt echter dat het overgrote deel van de nieuwe auto’s is veranderd ten tijde van de Europese invoering van de WLTP. Gemiddeld zijn de WLTP-auto’s zwaarder en krachtiger dan de vergelijkbare auto’s van voor de WLTP. Slechts een beperkt deel van de auto’s is onveranderd gebleven en dat maakt deze groep auto’s – juist omdat het overgrote deel van de auto’s is veranderd – geen representatieve steekproef. KPMG heeft volgens de staatssecretaris dan ook niet aangetoond dat de bpm in 2018 en 2019 is gestegen als gevolg van de WLTP.

Daarnaast komt uit het KPMG-rapport naar voren dat de in het wetsvoorstel voorgestelde bpm-tarieven per 1 juli 2020 mogelijk niet budgettair neutraal uitpakken. De voorgestelde bpm-tarieven zijn volgens Snel zo vormgegeven dat de totale bpm-opbrengst op basis van WLTP gelijk blijft ten opzichte van de geraamde opbrengst die gerealiseerd zou worden op basis van NEDC met de bpm-tabel die geldt per 1 januari 2020. KPMG kijkt voor een budgettair neutrale omrekening naar het jaar 2018. Deze discussie hangt sterk samen met de andere punt. Immers, als de BPM al stijgt in de periode waarin de WLTP voor de heffing van BPM wordt teruggerekend naar een NEDC-waarde, is er op 1 juli 2020 bij invoering een WLTP-gerelateerde BPM-tabel een minder sterk effect.

De Tweede Kamer bespreekt de belastingplannen vanaf maandag 4 november in mondelinge debatten. De stemmingen staan gepland voor 14 november 2019. Wij houden je op de hoogte.

Lees verder

Bijtellingsuitzondering of toch bijtellen?

Het ging hierbij om een personenbusje dat op de balans van het bedrijf stond en werd gebruikt voor verhuur en voor vervoer tussen de vestigingen van het bedrijf. Bij een belastingcontrole was al eens gewezen op de noodzaak van een rittenregistratie. Bij een nieuwe controle bleek die rittenregistratie ook over die latere jaren niet volledig sluitend. Het bedrijf beriep zich echter op het Hoge Raad-arrest uit 2015. Dat arrest zegt dat terbeschikkingstelling in de zin van de bijtelling niet aan de orde is als één of meer werknemers de auto slechts besturen ter uitvoering van bepaalde opdrachten van de werkgever, zodat de feitelijke beschikkingsmacht over de auto bij de werkgever blijft berusten.

In dit geval had de toenmalige bedrijfsleider bij de controle verklaard dat de sleutels onder zijn beheer stonden. Als iemand de auto nodig had, kon de sleutel bij hem opgehaald en weer ingeleverd worden.

De rechter vond in hoger beroep dat de bijtellingsuitzondering in dat geval niet van toepassing is. Uit de verklaring van de bedrijfsleider blijkt volgens de rechter namelijk dat de werknemers vrij over de auto konden beschikken omdat de bedrijfsleider slechts het beheer over de autosleutels uitoefende. Er was verder ook niet schriftelijk vastgelegd dat de werknemers de auto niet voor privédoeleinden mochten gebruiken en er werd ook niet op privégebruik gecontroleerd.

Ervan uitgaande dat de bijtellingsuitzondering niet van toepassing is, kan de bijtelling dan alleen nog achterwege blijven als er tegenbewijs wordt geleverd. Dat hoeft niet per se met een rittenregistratie, maar voor de praktijk blijft dat ter voorkoming van naheffingen wel de beste oplossing.

Lees verder

Autobranche: fiscale duidelijkheid gewenst

Wat betreft de bijtelling voor elektrische auto’s wil het kabinet de ‘hand aan de kraan’ houden. Dat betekent dat de bijtellingskorting jaarlijks bijgesteld kan worden. BOVAG pleit ervoor om in die situatie ten minste een jaar implementatietijd in te bouwen. Werkgevers, investeerders, leasemaatschappijen, autobedrijven en importeurs kunnen dan op de aanpassing van het EV-stimuleringsinstrumentarium anticiperen. Vanwege de lange levertijden van elektrische auto’s dienen zij vaak ver van tevoren hun bestellingen te plaatsen.

Wat BPM betreft roept BOVAG het kabinet op om de BPM te blijven afbouwen als opmaat naar betalen voor gebruik. Bovendien zorgt het voor verjonging van het wagenpark, en daarmee voor verlaging van de CO2-uitstoot.

Verder plaatst BOVAG een kanttekening bij de EV-aanschafsubsidie voor particulieren. Het jaarbudget van die subsidie mag wat BOVAG betreft geen remmende werking hebben op de aanschaf van elektrische auto’s. Daarom moet het mogelijk zijn bedragen uit latere jaren naar voren te halen, als de jaarlijkse subsidie uitgeput dreigt te raken. Mocht de subsidiepot eerder leeg zijn dan het einde van de looptijd van de subsidieregeling in 2024, dan wil BOVAG verruiming van het beschikbare budget. Zij pleit er daarbij voor om bij stimulering niet alleen te kijken naar elektrisch voertuigen, maar naar alle aandrijftechnieken met lage CO2-emissie, dus ook naar hybride auto’s, plug-in hybride auto’s en naar gebruik van biobrandstoffen.

De fiscale uitwerking van het Klimaatakkoord ligt inmiddels in wetsvoorstellen bij de Tweede Kamer. In november wordt de behandeling daarvan voortgezet. Wij houden je op de hoogte.

Lees verder

VNO-NCW: langere ingroeiperiode gewenst bij wijziging bijtelling

Rond het jaar 2024 wordt een integrale evaluatie uitgevoerd. Aan de hand van de laatste ontwikkelingen binnen de automarkt kan dan worden bepaald welke maatregelen na 2025 nodig en gewenst zijn om het streven naar 100% nul-emissie nieuwverkopen te realiseren.

Naast deze evaluatie wordt er de komende jaren ook steeds jaarlijks getoetst om de ‘hand aan de kraan’ te houden en overstimulering te voorkomen. Het kabinet kan dan ingrijpen als er bijvoorbeeld substantieel meer elektrische auto’s worden verkocht dan voorzien. Als dat leidt tot aanpassing van het bijtellingstarief, wordt dat volgens het wetsvoorstel in de maand september voorafgaand aan het wijzigingsjaar gepubliceerd.

In haar commentaar op de fiscale wetsvoorstellen voor 2020 merkt VNO-NCW op dat die tijdsplanning met publicatie in de maand september werkgevers, investeerders, leasemaatschappijen, dealers en importeurs in de praktijk slechts 3 maanden de tijd geeft. Dat is volgens VNO-NCW onvoldoende om op die aanpassing te anticiperen. Immers, de werkgevers krijgen last van hun met de ondernemingsraad afgestemde mobiliteitsbeleid (verlagen CO2-footprint), investeerders in duurzame assets (waterstof- en snellaadstations) baseren hun beleggingen – net als leasemaatschappijen hun restwaarde en dus de leaseprijs – op de wettelijk vastgestelde fiscaliteit en vanwege de lange levertijden van elektrische auto’s dienen dealers vaak al tot een jaar van te voren hun bestellingen te plaatsen. VNO-NCW kan zich voorstellen dat het kabinet met de hand aan de kraan wenst te stimuleren, maar dit zou er niet moeten leiden dat werkgevers en marktpartijen te laat weten waar ze aan toe zijn. Zij roept de Tweede Kamer daarom op om de markt meer tijd te geven door in september van een bepaald jaar de maatregelen te presenteren die ingaan per 1 januari van jaar dat volgt na ommekomst van een heel eerste jaar. Dat geeft marktpartijen dan zo’n 15 maanden voorbereidingstijd.

Lees verder

Hogere investeringsaftrek door goede timing van investeringen

De investeringsaftrek is er in verschillende vormen. Naast energie-investeringsaftrek en milieu-investeringsaftrek voor energiezuinige investeringen bestaat ook de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek. Op die laatste vorm gaan we in dit artikel in.

De kleinschaligheidsinvesteringsaftrek wordt verleend op investeringen vanaf € 450 in de vorm van koop of financial lease. De kleinschaligheidsinvesteringsaftrek geldt niet voor alle investeringen: Het moet allereerst gaan om investeringen voor je eigen onderneming. Daarnaast is het belangrijk dat personenauto’s van de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek zijn uitgezonderd, behalve wanneer ze bestemd zijn voor het ‘beroepsvervoer over de weg’ (vooral taxi’s). In de praktijk is deze aftrekpost daarom vooral belangrijk voor bestelauto’s.

De hoogte van de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek is in 2019 bedraagt 28% als het investeringstotaal van dit jaar groter is dan € 2.300 maar niet meer dan € 57.321. Boven dat bedrag is er tot een totale investering van € 106.150 een vaste aftrek van € 16.051. De vaste aftrek wordt bij investeringen tussen € 106.150 en € 318.449 afgebouwd naar een aftrek van nihil door de vaste aftrek te verlagen met 7,56% van het investeringstotaal boven € 106.150.
De tabel voor 2020 laat een soortgelijk patroon zien, waarbij de bedragen nog worden geïndexeerd voor inflatiecorrectie.

Het percentage investeringsaftrek hangt af van het totale investeringsbedrag in een bepaald jaar. Als je dit jaar nog niet veel investeringen hebt gedaan maar voor volgend jaar wel grote investeringen verwacht, kan het daarom bijvoorbeeld zinvol zijn dit jaar nog te investeren. De datum waarop je je handtekening onder de order zet, is daarvoor van belang. Hierdoor kunnen de aftrekpercentages van de investeringsaftrek optimaal benut worden.

Teken je de order voor een nieuwe bestelauto nog dit jaar, dan telt deze order mee voor je investeringstotaal van dit jaar. Ook als de bestelauto pas volgend jaar geleverd zou worden. Wordt zo’n bestelauto volgend jaar geleverd, dan kun je de investeringsaftrek op deze auto (vastgesteld op basis van de 2019-tabel) aftrekken in de belastingaangifte van het jaar van ingebruikname. Dat wordt dan het jaar 2020. Behalve als je in 2019 alvast aanbetaalt: De investeringsaftrek mag je namelijk ook alvast in je belastingaangifte van 2019 verwerken voor zover je hebt aanbetaald.

Met een goede timing van je investeringen kun je dus optimaal profiteren van deze investeringsaftrek!

Lees verder

Teveel afwijkingen in rittenregistratie: alsnog bijtelling

Dat tegenbewijs kun je het beste leveren met een sluitende rittenregistratie. Maar wat als de registratie niet helemaal sluitend is? Uit de rechtspraak komt dan naar voren dat “een kilometeradministratie niet bij voorbaat dient te worden verworpen indien niet aan alle vereisten wordt voldaan. Een administratie in combinatie met andere bewijsmiddelen kan eveneens aanvaard worden, mits ze zodanig sluitend zijn dat daaruit eenduidig kan worden afgeleid hoeveel kilometers er met de auto’s zakelijk en privé zijn gereden”.

Dat andere bewijs is in de praktijk best lastig. Dat blijkt ook uit de jurisprudentie over naheffingsaanslagen voor de bijtelling. Er wordt dan gekeken naar het totaal van de rittenregistratie, het brandstofverbruik en vastleggingen van kilometerstanden. De vraag is dan of daaruit kan worden afgeleid dat de manier waarop de rittenregistratie is bijgehouden betrouwbaar is of niet. Uitgangspunt is namelijk wel dat de administratie steeds per rit wordt bijgehouden. Zoiets kan bijvoorbeeld ook gecontroleerd worden op basis van verschillen in brandstofverbruik. Ook eventuele kilometerstanden bij tankbeurten en onderhoudsfacturen kunnen licht werpen op de rittenregistratie.

Het blijft echter aan te raden om dagelijks de gereden ritten in de administratie te verwerken. Een geautomatiseerde rittenregistratie met een black box of app kan daar een handig hulpmiddel voor zijn. Als werkgever kun je de aansprakelijkheid voor eventuele naheffingen grotendeels uitsluiten door te werken met een verklaring geen privégebruik.

Lees verder

Prinsjesdag 2019: de plannen voor de automobilist

De bijtelling voor volledig elektrische auto’s gaat omhoog voor auto’s met een Datum Eerste Toelating vanaf 1 januari 2020. De bijtelling gaat voor deze auto’s naar 8% van de catalogusprijs voor zover die niet meer is dan € 45.000. Is de catalogusprijs wel meer dan € 45.000, dan geldt over de eerste € 45.000 een bijtelling van 8% en daarboven 22%.
Per 2021 gaat de bijtelling naar 12% over de eerste € 40.000. In 2022, 2023 en 2024 wordt het percentage 16% en in 2025 17%. Daarna geldt het standaardtarief van 22% ook voor elektrische auto’s. Er blijft een overgangsregeling van kracht waarmee het bijtellingspercentage van de Datum Eerste Toelating steeds voor 60 maanden geldt. De bijtellingsregeling wordt tussentijds steeds geëvalueerd en kan dan bijgesteld worden voor nieuwe situaties.

Voor volledig elektrische auto’s blijft tot en met 2024 de BPM-vrijstelling bestaan. Vanaf 2025 geldt voor deze auto’s alleen de vaste voet van € 360. De BPM-tarieven voor andere auto’s worden per 1 juli 2020 bijgesteld op basis van de nieuwe WLTP-testmethode voor de CO2-uitstoot.

Eerder was al geregeld dat voor taxi’s per 2020 de teruggaaf van BPM vervalt. De vrijstelling van motorrijtuigenbelasting (MRB) voor deze auto’s blijft wel bestaan. In de BPM wordt verder de toeslag voor auto’s met een compressieontsteking zo gewijzigd dat deze alleen blijft gelden voor dieselauto’s.

Voor EV’s blijft tot en met 2024 het MRB-nihiltarief bestaan. In 2025 wordt dat een kwarttarief. Voor plug-in hybrides blijft het huidige halftarief nog bestaan tot en met 2024. In 2025 wordt dat een driekwarttarief. Per 2026 gelden voor beide type auto’s de normale tarieven.

Ter financiering van de klimaatvoorstellen stijgt de dieselaccijns per 1 januari 2021 en per 1 januari 2023 met 1 eurocent. Ook wordt de MRB voor bestelauto’s van ondernemers verhoogd. Vanaf 2021 tot en met 2024 bedraagt de gemiddelde stijging 24 euro per bestelauto per jaar. In 2025 daalt de MRB op deze bestelauto’s vervolgens eenmalig met gemiddeld 24 euro per bestelauto per jaar.

Vanaf 2020 wordt voor een door de zaak ter beschikking gestelde fiets een gunstige bijtellingsregeling ingevoerd. De jaarlijkse bijtelling wordt 7% van de consumentenadviesprijs. Deze regeling voorkomt administratieve lasten omdat dan niet langer het werkelijke privégebruik bijgehouden hoeft te worden.

De Tweede Kamer bespreekt de fiscale wetsvoorstellen in de loop van dit najaar. In december volgt dan de stemming in de Eerste Kamer. In de tussentijd kunnen er nog wijzigingen optreden. Wij houden je daarover op de hoogte!

Lees verder

Nieuwe auto? Let op de bijtelling

Aannemende dat je het hele jaar een auto van de zaak hebt, is het belangrijk om je te realiseren dat de bijtelling ook uitgaat van een heel kalenderjaar. Op de auto’s die je achtereenvolgens ter beschikking gesteld hebt gekregen, krijg je dan een bijtelling voor de duur van het gebruik van de auto’s. Daarbij geldt dan de werkelijke catalogusprijs en het bijtellingstarief van die verschillende auto’s.

Rijd je bijvoorbeeld in de maanden januari tot en met september een auto van € 40.000 met een bijtellingspercentage van 22% en vanaf oktober tot en met december een auto van € 45.000 met een bijtelling van 4%, dan is je bruto bijtelling 9/12 van € 40.000 keer 22% plus 3/12 keer € 45.000 keer 4%.

Lastiger wordt het als je zou willen overstappen naar een rittenregistratie of als je daar in de loop van een jaar mee wilt stoppen. Dat kan alleen als je bij de overstap van auto ook een nieuwe werkgever (“inhoudingsplichtige” in het jargon van de loonbelasting) krijgt. Is dat niet het geval, besef je dan dat je voor de tegenbewijsregeling van de bijtelling moet aantonen dat je de (achtereenvolgende) auto(‘s) op jaarbasis voor niet meer dan 500 km privé hebt gereden. Als je je vorige of je nieuwe auto privé rijdt, zal een rittenregistratie voor de andere auto niet helpen. Het tegenbewijs geldt namelijk over het hele jaar. Met ingang van het nieuwe jaar kun je dan weer de keus maken om voor dat nieuwe jaar wel of niet privé te gaan rijden en al dan niet een rittenregistratie bij te houden.

Lees verder

Vooruitblik Prinsjesdag

De bijtelling voor volledig elektrische auto’s gaat per 2020 omhoog voor auto’s met een Datum Eerste Toelating vanaf 2020. De bijtelling gaat voor deze auto’s naar 8% van de catalogusprijs voor zover die niet meer is dan € 45.000. Is de catalogusprijs wel meer dan € 45.000, dan geldt over de eerste € 45.000 een bijtelling van 8% en daarboven 22%.

Per 1 juli 2020 wordt de BPM, de aanschafbelasting op nieuwe auto’s, berekend op basis van de nieuwe WLTP-methode voor de vaststelling van de CO2-uitstoot. Op Prinsjesdag wordt de nieuwe tabel bekend gemaakt en wordt duidelijk hoe de nieuwe tariefschijven eruit zullen zien. Voor volledig elektrische auto’s blijft naar verwachting een BPM-vrijstelling bestaan.

De aangiftemethode van de BPM op ingevoerde gebruikte auto’s wijzigt. Het kabinet wil vooral de controle op ingevoerde schadeauto’s verbeteren.

Vanaf 2020 wordt voor een door de zaak ter beschikking gestelde fiets een gunstige bijtellingsregeling ingevoerd. De jaarlijkse bijtelling wordt 7% van de consumentenadvies. Deze regeling voorkomt administratieve lasten omdat dan niet langer het werkelijke privégebruik bijgehouden hoeft te worden.

Eerder was al aangekondigd dat de vennootschapsbelastingtarieven omlaag gaan. Recente berichten lijken op uitstel van een deel van die verlaging te wijzen. Hiervoor zullen we de concrete voorstellen moeten afwachten. Een tariefsverlaging kan betekenen dat het voordelig kan zijn investeringen (bijvoorbeeld in elektrische auto’s of bestelauto’s) nog dit jaar te doen, zodat de investeringsaftrek tegen een hoger tarief afgetrokken kan worden.

Lees verder

Geen BPM-vrijstelling voor voedselbank

Situatie

In deze zaak ging het om een voedselbank die een bestelauto had aangeschaft, maar voor de BPM een naheffingsaanslag met boete had gekregen.

De voedselbank ging ervan uit dat zij door de vorm van haar organisatie een onderneming drijft. En sowieso vond zij dat zij maatschappelijk gezien in aanmerking zou moeten komen voor een vrijstelling door haar activiteiten voor minderbedeelden in de samenleving.

Rechter: wel waardering, maar geen btw-onderneming

De rechter oordeelde dat het voor de BPM-vrijstelling nodig is dat er sprake is van een bestelauto van een btw-ondernemer. Om btw-ondernemer te kunnen zijn moeten er economische activiteiten zijn waarbij een prijs of een tegenprestatie wordt bedongen.

De activiteiten van de voedselbank bestaan uit de levering van voedselpakketten. Hiervoor krijgt zij van de ontvangers geen vergoeding. Volgens de rechtbank zijn er dan geen economische activiteiten.

Dat de voedselbank voor haar prestaties wél een vergoeding ontvangt in de vorm van veel waardering, betwijfelt de rechtbank niet. Maar het oordeel van de rechtbank wordt daar niet anders door. De naheffing blijft daarom in stand.

Verlaging boete

De voedselbank had bij de naheffing ook een boete gekregen van 10% van de naheffing. Over deze boete van € 1.102 oordeelt de rechter dat alleen bij afwezigheid van alle schuld geen boete wordt opgelegd. De voedselbank stelde dat zij de bestelauto van een autobedrijf heeft gekregen en dat beiden niet wisten dat de voedselbank niet voor vrijstelling van de BPM in aanmerking kon komen. Daar had volgens de rechter dan navraag naar gedaan moeten worden. Alles overwegende acht de rechter gelet op voornoemde omstandigheden een boete van € 50 een passende boete.

Conclusie

Voor de BPM-vrijstelling op bestelauto’s is btw-ondernemerschap vereist. Btw-ondernemerschap kan zich ook voordoen bij btw-vrijgestelde organisaties. In dit geval ging het echter mis doordat er überhaupt geen economische activiteiten waren. Bij twijfel over het btw-ondernemerschap kan de belastingdienst hier uitsluitsel over geven.

Lees verder

Naheffing MRB buitenlandse auto: let op de beschikkingsmacht

Zo’n situatie kwam kortgeleden voor de rechter. De belastingdienst had een naheffing opgelegd aan een dame die voor een Duitse GmbH werkt, waarvan haar man directeur is. Normaalgesproken gebruikt zij voor haar werk altijd haar eigen Nederlandse auto. Toen zij op een bepaalde dag vanaf haar werk naar een radio-interview moest vertrekken, bleek haar auto kapot. De directie wilde dat het interview doorging en heeft haar toegestaan dat zij een auto met een Duits kenteken nam om naar het interview te gaan. Vanwege het late tijdstip is zij niet eerst teruggereden naar Duitsland, maar heeft zij de volgende ochtend de auto weer op haar werk gebracht. Dit autogebruik had zij afgestemd met haar echtgenoot en was slechts mogelijk omdat de auto op dat moment niet nodig was voor een van de managers.

Op de bewuste dag controleerde de belastingdienst haar auto, waarna een naheffing van MRB volgde. Bij binnenlands weggebruik met een buitenlandse auto door een inwoner van Nederland is in principe de ‘houder’ van de auto belastingplichtig. Wel kan bij internationale werkzaamheden en bij kortdurend Nederlands weggebruik een vrijstellingsvergunning worden verstrekt. Die was hier kennelijk niet aangevraagd.

De rechter boog zich over de vraag of naheffing van Nederlandse MRB wel terecht was. De rechter oordeelde dat het hiervoor nodig is dat zij de feitelijke beschikkingsmacht over de auto had. Zij mocht deze auto voor een vooraf specifiek omschreven doel ten behoeve van de GmbH gebruiken om een al gepland interview te kunnen laten doorgaan. Het is echter de GmbH die bepaald heeft dat en voor welk doel zij de auto mocht gebruiken. Ze kon er dus niet vrij over beschikken. Terwijl voor het uitoefenen van de feitelijke volgens de rechtbank wel nodig is dat er een bepaalde mate van beslissingsvrijheid bestaat. Die vrijheid was hier niet aan de orde. De naheffingsaanslag was volgens de rechter ten onrechte opgelegd.

Voor de praktijk is dit een belangrijk signaal dat naheffingen van MRB of BPM niet altijd terecht zijn. Het aanvragen van een vrijstelling kan echter veel narigheid voor komen. Voor langdurig gebruik is er de werknemersvrijstelling. Ook voor kortdurend gebruik van niet meer dan 14 dagen is er een vrijstelling mogelijk. Aanvragen daarvan kan via de website van de belastingdienst.

Lees verder

Zelf betaalde kosten niet aftrekbaar van de bijtelling

De vraag komt nogal eens op of kosten die de berijder zelf betaalt, afgetrokken kunnen worden van de bijtelling. Op basis van de jurisprudentie is dat niet het geval.

Zo is er bijvoorbeeld jurisprudentie over een berijder die drie maanden een auto van zijn werkgever ter beschikking had. Daarvoor betaalde hij elke maand een eigen bijdrage voor privégebruik van 50 euro. Die eigen bijdrage voor privégebruik was aftrekbaar voor de bijtelling. Tot zover geen discussie. Daarnaast moest hij blijkbaar zelf de brandstof van de auto betalen. Dat kostte hem meer dan de maandelijkse bruto bijtelling. Bij de rechter stelde deze berijder daarom dat die brandstofkosten tot maximaal het bruto bijtellingsbedrag in aftrek zouden moeten komen op de bijtelling. De rechter oordeelde echter dat dit niet mogelijk is: De wet staat aftrek van kosten die aan derden betaald zijn niet toe.
De les voor de praktijk is dat dergelijke kosten dan beter ondergebracht kunnen worden in een (hogere) eigen bijdrage voor privégebruik. Als de werknemer de kosten eerst zelf aan een derde heeft betaald, vergoedt de werkgever ze eerst. Daarna wordt op het loon een eigen bijdrage voor privégebruik ingehouden. De werknemer heeft dan het voordeel van de fiscale aftrek op de bijtelling.

Lees verder

Ook bij heel beperkt zakelijk gebruik toch auto op de zaak mogelijk

Deze vragen speelden onlangs bij de Rechtbank Noord-Nederland. Het ging om een ondernemer met een zakelijke bestelauto en een zakelijke personenauto. De discussie betrof de personenauto, omdat die vooral privé werd gebruikt en minder dan 10% zakelijk. De vraag was of deze auto dan wel op de balans van de onderneming mag staan: Is zo’n auto dan niet verplicht privévermogen?

De rechtbank keek eerst naar de jurisprudentie van de Hoge Raad: Voor de beantwoording van de vraag of een vermogensbestanddeel tot het ondernemings- of privévermogen behoort, is in het algemeen de wil van de ondernemer beslissend. De ondernemer is dus vrij in zijn keuze, maar hij moet wel binnen de grenzen van de redelijkheid blijven. In zijn algemeenheid geldt dat een vermogensbestanddeel verplicht ondernemingsvermogen is als het voor 90 % of meer zakelijk wordt gebruikt. Het vermogensbestanddeel is verplicht privévermogen als het voor minder dan 10 % zakelijk (en dus voor 90 % of meer privé) wordt gebruikt. In de tussenliggende situaties is er sprake van keuzevermogen en mag de ondernemer zijn investering privé of zakelijk boeken.

Voor auto’s is de Hoge Raad echter in de jurisprudentie afgeweken van deze 10%-grens bij deze afbakening tussen verplicht ondernemingsvermogen en keuzevermogen. Over de omgekeerde situatie, zoals zich nu voordeed, heeft de Hoge Raad nog nooit geoordeeld. Maar de rechtbank kan zich niet voorstellen dat de Hoge Raad dan wel aan de procentuele afbakening zou willen vasthouden, juist omdat de Hoge Raad verwees naar 'redenen van eenvoud' en 'vereenvoudiging'. De rechtbank gaf de ondernemer gelijk: Ook voor de vraag of de auto verplicht privévermogen of keuzevermogen is, geldt een grens van 500 km.

Als deze uitspraak ook in een eventueel hoger beroep en in cassatie in stand blijft, betekent dit dat een auto die slechts voor iets meer dan 500 km zakelijk wordt gebruikt en voor de rest privé, toch op de zaak geboekt kan worden. Weliswaar geldt voor het privégebruik dan een bijtelling. Maar daar staat tegenover dat alle kosten aftrekbaar zijn van de winst. Dat kan een voordelige optie zijn!

Lees verder